Hoop
“Dit pad is niet verlicht, want dit is een ecologisch gebied. Hier krijgen dieren als het donker is rust en ruimte”, staat aan het begin en aan het einde van het onverlichte pad, gevolgd door een uitleg dat wanneer je het te donker vindt, je beter door de wijk kunt
Ik kijk uit over een halve bouwput, opengebroken straten en stoepen, her en der een bouwkeet onkantig geparkeerd, scheef, niet waterpas, niet koffiepas, waarnaast zand wordt doorkliefd door onkruidstengels, van dat soort die je alleen maar ziet op bouwterreinen, bouwkruid zal het heten, en door en langs de oude populier,
Alsof we progressief versnellen in een vooruitgang die het tegendeel is, ogen wijd open, in vol verstand. Alle land is onder mensen verdeeld, het was er al, maar toch kun je het bezitten, als je maar slim bent. Bezit geldt alleen wanneer de ander dat bezit erkent natuurlijk, een mensenconstruct.
En ineens is het herfst, de klimaatcatastrofe en een uitgebrande wereld zijn alweer minstens een dag oud, in ons geheugen een eeuwigheid, afgeschud in ons voortrazende en alsmaar uitbrandende brein van ongebreidelde, ongecontroleerde, voortstuwende vooruitgang. Regen, wind, het gras is direct weer groen, stengels veren op, prachtige lila bloemen halen