Kruinen
Ik kijk uit over een halve bouwput, opengebroken straten en stoepen, her en der een bouwkeet onkantig geparkeerd, scheef, niet waterpas, niet koffiepas, waarnaast zand wordt doorkliefd door onkruidstengels, van dat soort die je alleen maar ziet op bouwterreinen, bouwkruid zal het heten, en door en langs de oude populier, over de stinksloot hieronder, scheert mijn blik naar een prachtig assortiment kruinen, een Amsterdams bosje bomen, zoals je ook een bosje bloemen kunt hebben, het is voorjaar en mijn blik gevuld met frisgroen, maar met oneindige nuances van de zilvergroene berken, de volgroene kastanjes en de geelgroene wilgen en er is drukte in de lucht van smoorverliefde vogels en op het water kwetterende eenden gepest door fanatieke meerkoeten en recht voor me, in de blikvullende populier die ik bijna aan kan raken, halverwege zijn enorme hoogte, hangt een storende lap vies smoezelig plastic.
Het is inmiddels zomer en de luie zomerwind streelt over de kruinen, alsof ze de bomen zachte, liefdevolle zetjes geeft, er speels tegenaan aait, de bolletjes groene zomereiken deinen tegen hun natuur gewillig mee en veren kalm weer terug, en heen en zacht weer terug, even staan ze stil en wiegen dan weer traag naar links en veren ingehouden weer naar rechts, iepen gaan wat makkelijker mee in dit voortdurend deinend spel en voor me, daar ja, wappert die irritante lap goor plastic in de grote populier.
De herfst is er plots, die onmiskenbare geur, net terwijl de zomer eindeloos leek, wordt de populier aan de puntjes onaantrekkelijk geel, maar zodra er een lage herfstzon doorheen dwarrelt, lijkt het klaterend goud, de kruinen verderop smijten rood en bruin en oker en oranje door mijn beeld, ze schudden flink in de woeste regenwind, zwiepen los met bonte vegen, langzaam verliezen ze nu hun wilde haren en draperen het als een warmbont gemeleerd tapijt, en echt pal voor m’n neus, hangt een bloednerveus klapperend stuk smerig plastic in die hoge populier.
Het is koud, de wind giert en slaat en sleurt, ruw dwingend de laatste, eenzaam volhardende bladeren uit de kruinen verderop, die nu iets weghebben van een rek vol omgekeerde heksenbezems, daar horen eigenlijk windstille ochtend kraaien in, daar hoort oneindig lekker kraaien geluid in op oneindig lange windstille nevelochtenden als deze, meeuwen krijsen er onfatsoenlijk dwars doorheen, een bakje patat ligt naast de bouwkeet, maar de platgereden rat op de weg heeft schreeuwend al hun aandacht, de zwarte wirwar takkenbossen in de verte staat stug en stil afgestoken tegen een rode kaalstille zonsondergang, zich koest te houden tot betere tijden, en godverdomme, voor me hangt een vaalbeige lap walgelijk plastic in de kale populier.