Wolven

Deel

En ineens is het herfst, de klimaatcatastrofe en een uitgebrande wereld zijn alweer minstens een dag oud, in ons geheugen een eeuwigheid, afgeschud in ons voortrazende en alsmaar uitbrandende brein van ongebreidelde, ongecontroleerde, voortstuwende vooruitgang. Regen, wind, het gras is direct weer groen, stengels veren op, prachtige lila bloemen halen hun bloei een beetje in, na maanden watersnood, de confronterende waarheid wordt gelukkig weer een onterechte herinnering, ons geweten met herfstweer schoongespoeld, we kunnen gewoon door, morgen weer een dag met vast weer regen, altijd maar die regen, en dan die wind.

Verderop het pad komt een vrouw met een voor zich uit fietsend kind ons tegemoet en Pientje moet zich met haar nauwelijks viereneenhalf kilo zware lijfje en met voor dit weer veel te grote oren, om de paar meter schrap zetten voor een ongepaste windvlaag en trillend platduiken voor al te wild herfstgespetter, ze loopt er wat schichtig bij.

De vrouw met kind nadert traaggestaag, beide zijden van de onvermijdelijke confrontatie hebben duidelijk geen haast, Pientje snuffelt, het kind op de fiets doet zijn best, maar komt langzaam vooruit, de vrouw loopt er met bezorgde handgebaren fanatiek ondersteunend omheen, ik verbaas me stompzinnig over de boven mijn hoofd blazende wolken en hun veelkleurig grijs, het voordeel van een kale kop, de regen voelt heerlijk onbedreigend.

Het stukje in de krant over alweer probleemwolven cirkelt nog rond in mijn wakker wordende gedachten, het debat in de Tweede Kamer over de wolf werd gevoerd op emotie, onderbouwd met anekdotische bewijzen en gelardeerd met beproefde woorden van daadkracht, een contradictio in terminis bijna, daadkracht behoeft geen woorden, maar laat ze. Er waren schapen opgegeten van de boer die naast de broer van zijn zwager woonde, een hardwerkende boer, en een paar herten waren met huid en haar verslonden, op de heide waar haar neef boswachter was, of in ieder geval iets met natuur deed, kon ook parkeerbeheer zijn, maar dat doet er niet toe, al die dode herten konden nu niet meer de heide onderhouden, je weet wel, dat wandelgebied, de natuur werd gesloopt door al die wolven, en er waren probleemwolven, heel veel, en er was een wolf gezien in de dorpskern, hadden collega's van zijn vrouw verteld op de jaarlijkse braderie, of tenminste iets wat erop leek, het dier moest onmiddellijk afgeschoten om problemen te voorkomen, preventie is het beste middel, of het was een herdershond, maar dat kun je niet zien, zij niet in ieder geval, maar daar ging het helemaal niet om, daadkracht was nodig, een eufemisme voor afschot en uitroeiing en soortelijke intolerantie zoals wij ook met rassen plegen te wensen. Er was geen onderzoek opgevoerd, geen wetenschappelijk of deskundig argument ingebracht, dat hoeft ook niet, er dreigt een groot gevaar, dus bepaalt de politiek, daar is geen deskundigheid bij nodig, daadkracht, daar gaat het om, de hardwerkende Nederlander, straks worden onze kinderen opgegeten, en zeg niet dat het niet kan, er zijn zelfs hele boeken over geschreven, als je dan toch zo nodig elitair wilt zijn.

Het jongetje fietst al best behoorlijk, met zijwieltjes die hij eigenlijk niet meer nodig heeft, vind ik, maar ik ben dan ook wel eens gevallen van mijn fiets, of is het ‘op’ mijn fiets, in ieder geval beide, mijn kinderen ook, vaak de slappe lach wanneer er eentje weer zo onhandig van het fietsje kukelde en wilde gaan huilen, maar dan mij zag lachen en dan maar kwaad werd. Ik groeide op met schaafwonden, pleisters, Betadine smaakte vies en ging nooit meer uit mijn favoriete T-shirt, winkelhaken in mijn broek en zo stom door oma gerepareerd dat ik hem nooit meer aan wilde, nooit.

Het ventje heeft een helm op, een teringgrote, het ding schudt op zijn hoofdje, zijn koppie schudt mee met de enorme helm, zakt half over zijn ogen, hij duwt het overdreven grote ding terug met zijn handje, waardoor het stuurtje wegklapt en het jong lazert bijna voorover, ik zie zijn smoeltje nog net op het stuurtje klappen, onmiddellijk een dreinbekkie omkerend naar zijn moeder, die even niet oplette, want er kwam iets belangrijkers dan het wel en wee van haar nageslacht op haar mobieltje binnen, er komt aanstellerig gekerm onder de helm vandaan, hij bloedt niet eens. De vrouw rent in allesoverheersende moederlijke bezorgdheid naar het helmpje toe, haar armen in zichtbare ontsteltenis over al het onheil dat is uitgestort over haar dierbaarste, trillend uitgestoken naar het ontroostbaar lijdend mensenkind. We sjokken bijna tot aan deze gruwelijke situatie, het ventje heeft handschoentjes aan, met valbescherming, en kniebeschermers over zijn felgeel-met-groen broekje, ook beschermers op zijn ellebogen, een signaaloranje jasje met fluorescerende strepen, met rare kleuren roze en geel, zoals uit een setje markerstiften en wapperende dingen die nieuw voor mij zijn, vlaggetjes lijken het wel, hij huilt zonder tranen, maar wel met een snotneusje, hij fietst voor lul, gelukkig weet hij het nog niet en later is dit zijn normaal en fietst de rest voor lul. Honden zijn autistisch of hangen in ieder geval zwaar in het spectrum, afwijkend is gewoon niet normaal, dus raar, dus ongewenst en onbekend is gevaar, vluchten of vechten, maar liever vluchten, want dat voorkomt eigenschade, honden zijn geen mensen, honden zijn niet achterlijk, dus nooit eigenschade wanneer je dat kunt voorkomen. Pientje ziet het nep-gillende malle geval met te grote helm over het pad zwalken, een fietsding met te veel wielen, kleding die alle kanten op wappert, in allerlei wilde kleuren nog wel, een dramatisch toesnellend groot mens met uitgestoken en wild zwaaiende armen, ongecontroleerd haar kant uitrennen en vreemde geluiden toeschreeuwend, ze deinst opzij, vluchten, nu, natuurlijk vluchten, ze is tengerbreekbaar en dat weet ze, maar het late groen in de herfstnatte berm voorkomt uitwijken, paniek. Gillend en dreigendzwaaiende engerds bezetten opzichtig het pad, haar pad, haar richting, staartje strak naar beneden, oortjes platter dan plat, het lijfje rillend de kant in duwend met te hoog nat gras, ze heeft amper een vachtje, zakken door de pootjes, dit is haar einde, ze weet het zeker, ze laat zachtjes een grommetje en een angstig kefje horen, een teken van: alsjeblieft, trap me niet dood, ik kan niet wegkomen, ik wil dit niet. De vrouw slaat haar armen om haar ontroostbare prinsenkind heen, geen troost is te veel, hoeveel zorgelijkheid kun je tonen, nooit genoeg, ach lieverd van me, ach jongen, zoveel ellende, kom maar hier, mama is bij je, achgod, ochgerm … en dan ziet ze Pientje smeken om genade, maar ze spreekt geen andere taal dan moederstaal, ze ziet een grommend en vervaarlijk blaffend monster dreigend om haar zo onterecht gekwetste allerliefste heensluipen. Met de moederlijke armen nog om het debiele helmpje heen, beschermt ze met haar eigen leven het zo kwetsbare kind tegen de verscheuringsdood door het woest bloeddorstige monster, het lijkt wel een wolf, haar blikken werpt ze als vernietigende speren mijn kant op, minachting, dood en verderf richting kruipende Pientje die zacht grommend en schuifelend langs de grond weg wil. De vrouw spuugt vuur, het helmpje kijkt triomfantelijk met haar mee, ze hebben bijna de strijd op leven en dood gewonnen; kijk het monster nu laf wegsluipen, de oorzaak van alle kwaad en alle leed op aarde en vooral alle leed aan hen, smerig onderkruipsel, het beest, wegkruipen, en kijk die kale schoft die dit allemaal maar toestaat, hoe durft hij zich zo te misdragen, een kind in gevaar brengen, dodelijke confrontaties riskeren, gewoon hier, in onze buurt, ons pad, we waren gewoon fietsen.

Ik knik vriendelijk naar de jankebalk en de aansteltrut, we zijn er voorbij, Pientje veert weer op, staartje omhoog, haar vrolijke drafje weer terug, verderop een leeggetrokken vuilnisbak, ze weet het en rent alvast vooruit, het is tenslotte haar pad.

Aanbevelen? Signal WhatsApp