Maaien

Deel
Maaien

“Dit pad is niet verlicht, want dit is een ecologisch gebied. Hier krijgen dieren als het donker is rust en ruimte”, staat aan het begin en aan het einde van het onverlichte pad, gevolgd door een uitleg dat wanneer je het te donker vindt, je beter door de wijk kunt lopen, slechts een ambtelijke suggestie, de wijk is bouwhekwerk.

Het heeft warm geregend aan het einde van de zomer, september is een zomermaand met een herfstnaam, de avond voelt aangenaam fris, als je wilt kun je de paddenstoelen en zwammen al ruiken die overal omhoogploffen door het afnemende licht en het groeizame vocht onder de nog een keer opverende varens. Het pad langs de oude bajes en naast de hoger gelegen en met betonplaten afgeschermde trein- en metrosporen, het grind klinkt landelijk, even, een paar honderd meter voelt de gekke stad ver weg, eksters maken zich op voor de nacht in een van de met tralies afgeschermde ramen van de oude gevangenis, halverwege de laatst overgebleven toren van die betonnen strafkolonie hebben ze een veilig nest in de nis. De sloot zit vol eenden, meerkoeten, waterhoentjes, een paar ganzen, een gezinnetje met een pubergans en heel af en toe zwemt er een rat over, een flinke, deze lijkt wel een bever. Het grind knarst geruststellend onder iedere stap, als vanzelf ga ik langzamer lopen en vertraag mijn pas, paarse kleine bloemetjes, grote die de kleur hebben van korenbloemen maar de vorm van een aster, een verslavende kleur, ik wil ze allemaal zien, dus moet ik wel langzamer. Het talud naar de trein is steil met hier en daar een scheve berk en een wat sprieterige elzenboom die alweer zijn proppen als kleine dennenappeltjes over het grind laat rollen, een eikel zonder kapje, nog een, inderdaad, een jonge eikenboom, daar, bijna bij het spoor, zo ielig nog, alleen zijn blad verraadt zijn afkomst, hij heeft nog een paar honderd jaar voor de boeg, met een beetje geluk en rust. Het talud is een bonte verzameling grassen, riet, struiken, bramen, natuurlijk bramen, vlakbij ligt de ring A10 met zijn stinkende stikstofadem, dus bramen en brandnetels zijn ook hier de nieuwe natuur, het geeft niet, er mogen best wat bramen groeien, niemand meer die ze plukt, kinderen herkennen ze niet als eetbaar, drie meisjes halen me in, bijna synchroon gooien de buitenste twee hun McDonald’s-servetje achteloos op het pad, nog een paar meter en ze hadden de prullenbak gehaald. Het riet groeit aan beide zijden van het pad, sommige stukken zitten al vol zachte pluimen die lokkelijk wuiven om tijdens de loop geaaid te worden, zachtjes haal ik mijn hand langs hun nevelvochtige bloemaren, ze laten zich sierlijk meevlijen om deinend terug te veren, mist verkleeft trillend tot druppeltjes die wiegend naar beneden rollen langs hun holgestrekte bladeren en over hun zilvergroene huid. Er schieten ratten weg bij de vuilnisbak, ik hoor ze alleen maar, er ligt genoeg eten voor iedereen, de zak is half leeggehaald door statiegeldjagers, brood, in de vorm van diverse belegde boterhammen in plasticzakjes, patatje oorlog, een slagveld, een afgekloven BigMac, of bigger, de stad heeft een rattenprobleem las ik gisteren nog, ze leiden tot ernstige overlast, die ratten toch, ze liepen net de hoek op. Er zit een kraai op de betonnenrand, ik denk een geluidswal maar kan ook een Oost-Duitse fortificatie zijn, brult zijn gekraai uit alle macht naar beneden, niemand schenkt hem aandacht, de eenden smekken door, wat muggen dansen vlug voordat het weer gaat regenen. Geritsel in het riet, een woordelijk cliché maar net zo spannend, het klonk groter dan een rat, ik zie niets, het herhaalt zich ook niet terwijl ik sta te luisteren, net tot het moment dat ik wegloop, maar weer was mijn aandacht te laat, het riet is ook zo heerlijk hoog, iedereen kan zich beschut en vrij bewegen in het riet. Het donkert inmiddels, gluiperig komt de nacht steeds vroeger en steeds sneller, het moet nog wintertijd worden, maar toch, de blauwe schemer dimt nu al tot antraciet, het pad nog meer duister door het talud, het hoge riet met al dat leven en beweging, ook nu nog, motjes of toch onhandige vlinders zonder kleur dan beige lichten vluchtig zilver op bij hun abrupte wendingen rond het natte gras, naaktslakken kwijlen hun spoor zo vlug mogelijk naar de overkant van het grind, snel weg onder het groen, wel drie achter elkaar, drie slakken op stap, naakt nog wel, een naaktloopwedstrijd, ze hebben een oranje randje, franje. Eenden vliegen om niets paniekerig uit het water en racen kwakend achter elkaar kriskras door de donkere lucht, uit het zicht, ik moet lachen om hun drukte en dan komen ze kwetterend boos weer uit een totaal andere en onverwachte hoek aanstormen, duidelijk boos op de een, of de ander, of geen idee, dan strijken ze met skipootjes over het water en landen met een keurige plons, verenschuddend in het water, het is weer goed, ze kunnen gaan slapen in het riet. Een merel zingt nog wat rondvolle tonen en verdwijnt scharrelend in het riet. Nog een enkele mug, ik veeg hem van mijn wenkbrauw, zachtjes, de rest slaapt in het riet. Een molshoop bolt wat omhoog, de aarde deint een beetje op zijn geduw, zou hij zien dat het al donker is, zou hij gaan slapen onder het riet? Het is donker, de dieren hebben rust, ik ben de enige mens, ik heb geen licht.

De ochtend is winderig, regen, onaangenaam, regen is alleen fijn zonder wind, wind is zelden fijn, hooguit tot het niveau van briesje, daarna wordt het vermoeiend. Loop de straat op en ruik direct gras, gras van weilanden, voetbalvelden, een land vol gras, iedere Nederlander weet hoe gemaaid gras ruikt, heel Nederland is gemaaid gras, onze cultuur is gemaaid gras, wij zijn gemaaid gras. Monotoon motorgeluid en de geur van de brommer uit mijn jeugd, het mag niet meer, maar die benzinelucht is vreemdheerlijk en voert onmiddellijk terug naar mijn vorige leven in vroeger, zoals geur dat doet, een Zündapp, opgevoerd met een 80cc-cilinder en fluisterpijp, grotere carburateur, een klasgenootje had een Kreidler, dat was niks, ik weet echt niet meer waarom, maar ik vind het nog steeds, cassettebandjes, proefwerkweek, ik haatte Duits, Frans nog meer, behalve Franse liedjes luisteren met de koptelefoon, dinsdag het 2e en 3e uur, half in slaap vallen totdat de meester, als ze nog zo heten, met een vlakke hand op mijn tafeltje sloeg en dan grappig in het Frans iets begon te brabbelen over mijn gebrek aan interesse en moest lachen om mijn oprechte schrikreactie, mijn blik op mijn nagels met zwarte randjes van de motorolie, ik verstop ze wel in mijn vuisten, de duim blijft een probleem, je kunt kiezen of je duim verstoppen, of je vingers, beide is lastig.

Het geluid wordt harder tot irritant tot agressie, de geur van benzine is nu walmend ongepast, ik loop onder het bord door met de mededeling dat dit een donkertepad is, onbewust lees ik het weer, ik lees het altijd, het is het enige bord. Schuin op het talud is een man een enorme grasmaaier met futuristisch ogende wielen van elk een meter breed en vervaarlijke banden met dikke punten omhoog aan het rijden, heen en weer aan het raggen rond de berk, en weer naar beneden laten rollen, het hoge riet kost hem wat meer moeite, ruw vooruit en weer achteruit en vooruit, achteruit en weer omhoog, de drie rode kruizen van de gemeente sieren pontificaal zijn rug, borst en armen, verderop, het donkertepad, staat zijn opleggertje het pad te blokkeren, de drie grote rode kruizen sektarisch op de deuren. Het woeste maaiapparaat klimt zelf omhoog het talud op, de brede grijze wielen happen plaggen uit het groen, riet verdwijnt trillend onder hakselende messen, ik hoor niets ritselen, ik hoor alleen motorgebrul en knakkend groen, het ruikt naar gemaaid gras. Het is alweer bijna donker, het talud is vlak, zoals een talud in Nederland hoort te zijn, glad en gras, gemaaid glad gras. Die rietstengels steken nog uit de grond, ze lijken alleen maar op gras, goed genoeg voor de gemeente, taluds moeten glad, strak en gras zijn, of lijken, een paar, die konden niet ontkomen, het was ook niet donker, het was licht, de gemeente maaide duister overdag, een rat, naakt, midden op het talud, rust en ruimte.

Aanbevelen? Signal WhatsApp