Bij

Deel

Er zijn geen bijen, we komen net aan en waar het normaal gonst van het gezoem deze tijd van het jaar, is het nu angstaanjagend stil. We zoeken alle bomen af, struinen langs de bloemen en struiken, zoetgeurende jasmijn, bedwelmende kamperfoelie, poederig geurende vlinderstruik, niets te vinden, nergens een bij, de angst slaat ons om het hart, wat is hier verdomme aan de hand. Tot laat in de avond blijven we zoeken naar oorzaken op internet, we breken het hoofd over veranderingen in de omgeving, ja, de abrikozenbomen die jaren lang naast het huis stonden zijn vorig jaar omgehakt, de stronken met grote machines uit de grond gesleurd, het laatste wortelverzet werd met een grote bijl beslecht, gapende grondwonden resteerden, maar de abrikozentelers hadden eigen bijenvolken, andere bijen dan wij normaal in de tuin hebben, ook de sluipwespen zien we niet, de geel-zwarte zweefvliegjes evenmin, we zijn oprecht angstig, de wereld sterft dan toch, we zien het gebeuren hier, gebieden waar plant en dier niet meer kunnen schuiven met de hitte mee, zoals je nog wel zou kunnen in gematigd klimaat, maar hier schuift de grens van het leven volledig op, na deze oprukkende frontier rest alleen dor en dood.

Met de moed der wanhoop schrijven we een bewogen mail, en nog een, naar de lokale ambtenaar die verantwoordelijk is voor natuur en omgeving, we wijzen hem op onze beangstigende bevinding, smeken hem bijna om uitleg, een antwoord tenminste, maar blijven netjes en beleefd, er komt nooit meer een response, had ik anders verwacht. De hitte neemt verder toe die zomer, het kale land om ons heen verstoft en verstuift, laat in het seizoen worden nog massaal machinaal uien gepoot, die bloeien niet, mogen er snel weer uit, leveren kort geld. De dikke koelwagens bulderen onophoudelijk door de nacht, de vleermuizen verdwaasd, de nachtzwaluwen verstoord, de uilen verstomd, hierna blijft alles kaal, de bijen blijven weg en blijven ook het volgende jaar weg. We worden triester met iedere week dat we er geen zien, geen enkele, en het verlies kunnen we niet meer ontzien, het gemis slaat ons iedere dag hard in het gezicht. We zijn nietige wezens, niets kunnen we doen, alles kunnen we maken zolang het stuk is, hoop rest als restante van bewustzijn, de unieke zo nutteloze gave aan de mens. We planten bomen, we maaien ons eigen land niet meer, we irrigeren waar we kunnen, we laten bloeien wat wil bloeien, we kopen struiken, we planten meters kamperfoelie langs onze hekken, we duimen, we hopen, het is zo kaal om ons heen, het is zo heet.

De nieuwe lente is ten einde, de zomer komt en onze tuin is nu een kleurenpracht met rood, wit, paars en geel en alles daar tussen in, bloemen lokken met kleur en geur alles wat wil vliegen, we lopen langs de liguster die al zijn taaie levenskracht heeft gebruikt om ieder takje aan zijn ronde oude lijf te voorzien van een uitbundige pluim lokkelijk bloemenzoet, tot het walmt, geblazen in de lauwhete wind.

We zeuren over de brommende herrie die de nieuwe zwembadpomp maakt, tot we beseffen dat de bijen terug zijn, in aantallen nooit eerder gezien, het danst rond de gele bloesem, in het felle blauwe junilicht kun je het stuifmeel zien spatten, het gonst en bruist en juicht van nieuw leven, de bijen zijn terug, nog een keer.

Aanbevelen? Signal WhatsApp