Sprookje

Deel

Eerste bedrijf

Niet zo heel ver hier vandaan leeft een jongetje midden in het bos, samen met zijn grootouders in een klein, afgelegen houten huis. Het huisje is gemaakt door de vader van de vader van zijn grootvader, de mooiste plek van het land, met de meeste wilde dieren, de mooiste planten, prachtige bomen die voorzichtig groeien, hun kruinen elkaar telkens net niet raken, hoge bomen, lage bomen, maar ieder geeft de ander ruimte. Het jongetje is gelukkig in het bos, zijn oma leert hem over alle planten, bomen en paddenstoelen en zijn opa leert hem over alle dieren en hoe alles samen in balans is en dat de mens die balans nooit mag verstoren. Op een dag in het voorjaar loopt het jongetje samen met opa richting de beek, het is een flink stuk lopen, maar de verhalen van opa, het nieuwe groen in het bos en de lentetinteling laten de jongen alle tijd vergeten, opa houdt de hand van de jongen vast, hand in hand luistert de jongen naar de vertellingen, hij is gelukkig. Dan opeens een angstige roep van een jonge vogel, opa weet het onmiddellijk: dit is een kraai die om hulp vraagt. Opa luistert nog eens aandachtig; dit is niet zomaar een roep om hulp, dit klinkt als een doodstrijd. Kom op, snel, zegt opa tegen de jongen en hij neemt hem aan zijn handje mee richting het kermende gekraak van het bange kraaienjong. Daar zien ze het beestje, de vleugels verstrikt in een bramenstruik, een pootje lijkt raar geknikt en de doornen van de bramenstruik hebben lelijk in een van zijn ogen geprikt, het bloedt.

Opa laat snel de hand van de jongen los en knielt kalm neer bij de jonge vogel die kermt, kraait en krast, druk spartelt en alles nog erger maakt, nog meer verstrikt in de bramenstruik. Dit gaat niet goed, we moeten helpen, hier in het bos helpt iedereen elkaar, alles in evenwicht, de bomen helpen de vogels, de vogels de bomen, zonder bomen geen leven, een natuurlijk verbond, kom, help me. Opa duwt wat takken opzij, brandnetels steken jeukend fel door zijn broek; bramentakken krassen met duizend doornen op zijn arm en op zijn hoofd, bloeddruppels vormen een kronkelig stroompje tussen de grijze haren op zijn slaap. Met verbeten gezicht strekt de opa zijn armen dieper in de struik, een tak zwiept terug in zijn gezicht, snel pakt het jongetje de tak met gemene stekels en houdt hem weg uit het gezicht van opa, doornen snijden diep in zijn hand; de jongen verbijt de pijn.

Opa heeft de kraai omklemd met zijn beide handen, trekt het behoedzaam los uit de bramenstruik en bekijkt het diertje eens goed. Het zal erom hangen, jongen, hij is nog erg jong en zijn oog is lelijk verwond, ook laat hij zijn rechtervleugel slap hangen, het ziet er niet best uit, als we het beestje hier achterlaten, is hij binnen de kortste keren een lekker hapje voor een vos, zo is de natuur nu eenmaal. Het jongetje knijpt zijn hand stevig dicht om het bloeden niet te tonen. Kunnen wij niet voor de jonge kraai zorgen, zoals het hoort in het bos, een verbond? De jongen dringt bezorgd aan; ik zal echt goed voor hem zorgen, iedere dag voordat ik naar school ga, en iedere dag als ik weer thuis kom, hij mag bij mij op de kamer, jullie zullen echt geen last hebben, ik beloof het. Opa knikt en geeft de jongen de kraai, het bloed vermengd, bloed van het oog, bloed van de hand, bloed van het hoofd.

Zeven jaren verzorgt het jongetje de kraai en beiden zijn nu groot en sterk, het oog van de kraai is kort na de redding uit de bramenstruik toch gaan ontsteken, waardoor de kraai het oog verloor en nu blind is aan de linkerkant en de jongen heeft nog steeds een groot litteken over de palm van zijn hand. Ondanks dat de kraai maar een oog heeft, ziet hij alles, hij waarschuwt de jongen bij gevaar, helpt oma met zoeken naar noten en zaden en zit uren op de schouder van opa, alsof ze samen nadenken over het leven in het bos en de toekomst. Iedere dag, tegen het einde van de middag, zit de kraai in de oude kastanjeboom aan het einde van het pad naar het huis, te wachten op de jongen en telkens wanneer hij de jongen ziet komen aanlopen, brult hij een machtige KRAWW KRAWW KRAWWW door het bos.

Maar de kleine jongen is een jongeman geworden en begint later thuis te komen, blijft soms ergens anders slapen, blijft af en toe zelfs een heel weekend weg, de kraai blijft dan trouw wachten in de kastanje, de hele tijd, de hele nacht en de nachten worden weekeinden en de weekeinden worden weken, tot de jongen plots en ongewoon midden op de dag thuiskomt. De kraai is net oma aan het helpen met het verzamelen van walnoten en met een schelle Krrrieuuwww… vliegt hij op en snelt naar de jongen die al bijna bij het huisje is en landt met zijn zwartglanzende lijf in de felle middagzon op de schouder van de jongen en duwt zijn snavel zacht tegen diens wang, zoals altijd. De jongen merkt zelfs niet dat de vogel blij is hem te zien en negeert hem. Hij loopt met een strak gezicht door over het grind en gaat door de krakende voordeur het huisje in. Oma hoort de deur openen vanuit haar tuintje, gooit haar schort af, zet het mandje walnoten gehaast neer en rent snel naar binnen via de achterdeur.

Wat ben je vroeg thuis, is er iets met je? Ben je ziek? Is er iets gebeurd?

Nee, opa, oma, er is niets, maar ik moet jullie wat vertellen: Een groot bedrijf kwam langs op de universiteit en bood me een baan aan. Nog voor de jongen is uitgepraat en zijn plan heeft uitgelegd, laat de kraai de schouder van de jongen los en vliegt geluidloos het raam uit en gaat met een uitgezet verenkleed en ingetrokken kop hoog in de kastanjeboom zitten; de jongen praat door, over salaris, een auto, carrièrekansen en de andere wereld. Oma pakt een zakdoek en veegt haar ogen droog. De jongen vervolgt; ze bieden veel geld en zowaar een eigen appartement, midden in het centrum nog wel, ik moet dit wel doen, ik ga in de stad wonen. Even valt er een stilte. Opa slikt; Jongen, als je daar gelukkig wordt, moet je gaan, wij en het bos zullen er altijd voor je zijn, we zijn er voor elkaar, dat weet je, dat hebben we je ouders beloofd.

Tweede bedrijf

De jongeman zwaait nog even over zijn schouder maar zonder te kijken naar het oude huisje in het bos, opa en oma staan in de deuropening, opa zwaait terug, hij loopt gehaast het pad af, onder de kastanjeboom door, snel naar zijn nieuwe leven.

Het bos wordt al dunner, de jongeman is inmiddels bij de beek aangekomen wanneer hij zacht hoort snikken, hij houdt stil en kijkt om zich heen, en net wanneer hij weer wil doorlopen klinkt een jongensstem: alsjeblieft, doe het niet, bescherm ons, blijf bij ons, je had het beloofd. Verschrikt kijkt de jongeman richting het geluid, daar, midden in de beek, daar waar die verradelijk diep is en te snel stroomt, een klein ventje, hij staat tot zijn knieën in het water, maar de beek is daar zeker drie meter diep? Je moet ons beschermen, je hebt het beloofd. De jongeman kijkt naar het ventje, dezelfde krullen als hijzelf, hij loopt wat dichter naar het ventje toe. Maar wie ben je en wat bedoel je met ons? Het ventje draait zich naar de jongeman en met betraande ogen: Ik ben alle waterdieren en al het water, je mag ons niet verlaten, een gruwelijke periode zal aanbreken, dood en verderf in zeeën en oceanen, je mag niet weggaan, ons verbond. De jongeman heeft geen tijd; hij moet al over een paar uur in de stad zijn en zijn hoofd staat er helemaal niet naar. Sorry, ik begrijp er niets van, maar ik moet weg, zo te zien red je het prima alleen, en dat jij alle zeedieren en alle water bent, lijkt me een beetje sterk. Het ventje in het water staat met afgezakte schoudertjes en kijkt droevig de weglopende jongeman zonder tijd na, hij zwaait nog een keer vriendelijk en tevergeefs, het litteken in de opgestoken handpalm van het ventje ziet de jongeman niet meer, en dan is het kereltje weg, opgenomen door het water, een met alle waterdieren. De voortsnellende jongeman schudt zijn hoofd van irritatie en onbegrip, draait toch nog even om naar dat rare kereltje, maar ziet alleen de beek, hij loopt snel door.

Hij heeft zin in zijn nieuwe leven, de belofte van die auto die hij altijd wilde, een mooi kantoor, hij kan niet wachten. Denkend aan zijn toekomstige wereld ziet hij ineens een oude man voor zich op het pad staan, nog op een flinke afstand, maar de jongeman stopt van schrik met lopen en probeert het goed te zien; de laaghangende zon schijnt van achter de oude man over het pad en verblindt. Hij doet een paar stappen dichterbij, maar de afstand blijft gelijk, hij stopt weer en kijkt, maar het zonlicht is te fel. We hebben je nodig, de landdieren en het land hebben je nodig, je had het beloofd. De jongeman schrikt, de oude man klinkt als … nee, dat kan niet, hij rent naar de man toe, maar hij komt niet dichterbij, harder rent hij, een sprintje, de oude man blijft te ver weg, maar beweegt niet, doodstil blijft de afstand gelijk. De jongeman schreeuwt, ga weg, ga weg, ik ben bang, dit kan niet, je bestaat niet. De oude man antwoordt met trillende maar sterke stem: Ik ben alle landdieren en alle land, je mag ons niet verlaten, een gruwelijke periode zal aanbreken, dood en verderf in bossen en bergen, je mag niet weggaan, ons verbond.

De jongeman begint weer te rennen; hij wil hier weg, weg bij deze oude dwaas die zijn weg blokkeert, hij neemt een aanloop en sluit zijn ogen, hij is bijna bij die griezel en net wanneer hij zich schrap zet voor een botsing, vliegt zijn blik dwars door de verschijning van de oude man heen, een luchtledig niets, geen man, geen krakende botten van hun botsende lichamen, hun schaduwen schampen door de ander, in een flits ziet hij een litteken op het hoofd van de oude man, links, op zijn slaap, de jongeman weet nog net zijn evenwicht te bewaren en komt wankel tot stilstand, kijkt om, maar het pad is leeg, geen oude man, in het zandpad geen andere voetstappen te bekennen dan die van hemzelf, geen gekraak van takken die kraken onder weglopende voeten, hij is alleen, was hij al die tijd alleen? De jongeman kijkt op zijn horloge, weer een uur voorbij, een heel uur, hoe kan dat nou, hij moet door, hij moet dit gedroomd hebben, er is niets aan de hand, doorlopen.

De jongeman wil alleen nog maar weg uit dit bos, weg uit deze nachtmerrie, snel naar zijn mooie nieuwe appartement, zijn nieuwe collega’s, snel zal hij hun leidinggevende zijn, een natuurtalent, hadden ze gezegd.

Hij moet nog een klein stukje; daar bij die hoge bomen is het einde van het bos. Terwijl hij onder de hoge, oude platanen loopt, hoort hij een zware Krawww Kraww Kraww, de jongeman schrikt en staat onmiddellijk stil, luistert, kijkt vanzelfsprekend omhoog en probeert te zien wie dit kraaiengeluid maakt, hij speurt langs de toppen van de woudreuzen, maar ziet niets dan grote groene bladeren. Zijn blik tuurt over het pad richting het bos, maar niets wat vliegt, kruipt of loopt te bekennen, geïrriteerd keert hij om en op dat moment voelt hij de klauwen van de kraai diep in zijn schouder haken, bloed dringt door zijn shirt, de jongeman kijkt verschrikt opzij naar het zwart in zijn ooghoek en staart in een oneindig donker gat in de kop van de kraai, een gat op de plek waar ooit een oog zat, dieper en dieper kijkt hij, zwarter dan zwart, hij duizelt en tolt van donkerte, er is geen bodem, geen einde, alleen maar eindeloos … Kijk naar mijn veren, ze zijn rood van jouw bloed, jouw bloed is mijn bloed, ik ben alle vogels en alle lucht, we zouden voor elkaar zorgen, voor altijd, ik zou alles zien, jij zou het goed doen, ik zou je waarschuwen, jij zou ons beschermen, kraaien zien voorbij vandaag, je mag ons niet verlaten, een gruwelijke periode zal aanbreken, dood en verderf in lucht en wind, wij samen, voor altijd, je had het beloofd, ons verbond.

De jongeman slaat om zich heen om de vogel te verdrijven, de pijn in zijn schouder maakt hem wild, hij voelt dat hij iets raakt, zwarte veren bloedrood gekleurd, vliegen om zijn hoofd, verschrikt kijkt hij om zich heen op de grond, hij zal toch niet de kraai geraakt hebben? Dat bloed overal, die veren met bloed, bloed op zijn hand, zijn schouder, maar hij bloedt niet zelf, wiens bloed is dit? Er is niets hier, de jongeman moet huilen, nergens om, om niets huilt hij, hij is alleen op het stoffige pad, op de grond een blauw glanzende zwarte veer, hij raapt hem op en stopt hem in de zak van zijn oude spijkerbroek die hij weldra zal inwisselen voor mooie maatpakken, ja, mooie kleding kopen, krakendnieuw leren schoenen, zijn gedachten zijn snel getroost, wrijvend aan zijn schouder loopt hij door, het bos ligt achter hem.

De jongeman is ambitieuzer dan ooit; hij werkt meer en langer dan al zijn collega’s, resultaatgericht zijn kenmerk, tomeloos rendementgedreven, hij valt op bij de aandeelhouders, de jongste CEO ooit. Geld was geen drijfveer, maar is nu wel de maatstaf: penthouses in major cities, recordhouder airmiles, snelle auto’s, benzine uiteraard. De jongeman is nu een man, en niet alleen een man, dé man. Opa en oma waren kort na elkaar overleden, net toen hij in New York was voor een megadeal. Hij kon echt niet terug voor de begrafenis. Hij had het oude huisje geërfd en alle bosgrond eromheen, de beek, de hoge bomen, het moerassige grasland, het meer, alles, geen idee wat hij daarmee moest, geen tijd, geen zin. Uiteindelijk heeft hij het maar overgedragen aan de jongens van de afdeling vastgoed in zijn bedrijf, het is nu een prachtig congrescentrum met 18 holes golfcourse, de kastanje kon niet worden gespaard, even had hij getwijfeld, maar een enkele boom mocht natuurlijk nooit een heel project in de weg staan. Hij wist altijd wel belasting te ontwijken, een sport an sich, goedkoop land te bemachtigen en voor het rendabelste gebruik in te richten, ontbossen en vervuilen zijn onmiddellijk zichtbaar in de kwartaalcijfers, weer een bonus, en meer mannen worden zoals hij, hij is immers het voorbeeld, alle mannen willen worden zoals zij, zij zijn immers het voorbeeld, hij trouwt een prachtige vrouw, krijgt een prachtig kind, een jongetje, met krullen, net als hij, hij ziet ze zelden. Op een zwoele zomeravond rijdt de man in zijn nieuwste auto terug naar zijn penthouse in deze buurt, een rode cabriolet, vermoeid maar zelfvoldaan laat terug van een meeting met belangrijke stakeholders in een nieuwe sojaplantage ergens in godweetwaar, de cijfers waren goed, raampje open, muziek hard, hij voelt de klap nieteens.

De artsen in het ziekenhuis brengen het de man voorzichtig: Je bent tot stilstand gekomen tegen de gevel van het kantoor van een van je eigen bedrijven, de impact was enorm, je beide benen waren verbrijzeld, we hebben gedaan wat we konden, je zult lang moeten revalideren. Maar … de arts hapert in zijn verslag … door de hoge snelheid waarmee je reed, is de fiets van het slachtoffer omhoog geslingerd en met grote kracht door je voorruit gegaan en zijn stukken metaal en glas in je gezicht geslagen. De schade is dusdanig dat we vrezen dat de functie van je ogen niet meer zal herstellen … weer pauzeert de arts … we weten het eigenlijk zeker, je zult nooit meer kunnen zien.

De man kijkt in het donker en ziet niets, hoe kan hij nu ooit zijn levenswerk nog zien, al dat harde werken, al dat geld verdiend, zelf verdiend, de uitzichten vanaf zijn appartementen, die prachtige auto’s, zijn nieuwe zijden maatpak, het stond hem zo goed in de spiegel, al dat moois en nu is er zwart en donker, oneindig donker.

Revalidatie volgt, het lopen gaat al beter, het zien lukt niet, nooit. De agenten die na het ongeluk nog hebben geprobeerd te reanimeren, komen bij de man op bezoek. De fietser, een meisje van 14, heeft de aanrijding niet overleefd; de man blijft stil. Zijn auto is total loss, vertellen ze, of daar nog persoonlijke bezittingen in liggen die ze misschien moeten veiligstellen? De man denkt even na: nee, niet dat hij weet, de auto was net nieuw, dat wel, zonde.

De agenten bekijken de man uitdrukkingsloos, maar weten niets te zeggen en staan op. De stoelen schuiven over het linoleum op de ziekenhuisvloer, hij bedenkt zich ineens dat zijn weekendtas nog op de achterbank lag. Wacht, zouden jullie mijn bruine tas die op de achterbank lag voor mij kunnen ophalen? Daar zit mijn favoriete spijkerbroek in, oud, maar hij zit zo lekker. De agenten kijken elkaar aan, halen hun schouders op en vertrekken zonder te antwoorden.

Het zoontje van de man komt iedere dag langs bij zijn vader, maar die wordt norser, kwader, geïrriteerder dat hij niets ziet, hoe moet hij nu werken, hoe moet zijn bedrijf nu verder, de beurswaarde, de aandeelhouders, dát is zijn kindje. Het jochie vraagt of ze dan misschien een keer naar het huis van opa en oma kunnen gaan, in het bos, dan hoor je tenminste dingen en is het kijken niet zo belangrijk misschien? De vader barst in woede uit, jij stom kereltje, je weet niets, we zijn niets zonder mijn werk, mijn geld, mijn … en hij geeft het ventje een harde klap met de achterkant van zijn hand, het kereltje wankelt, valt half en rent huilend de kamer uit, het ziekenhuis uit.

De man blijft verbitterd revalideren, maar komt geen stap dichter bij verder herstel, de wereld heeft de schuld: die fietser, die fiets, dat meisje, zijn zoontje, zijn vrouw, de aandelenwaarde is al gehalveerd, hij is een mislukking, het is hun schuld.

Na zeven weken dwaalt de man nog steeds door de gangen van het ziekenhuis, hij heeft inmiddels zijn oude spijkerbroek weer aan in plaats van die vreselijke ziekenhuiskleding en hij mag kleine stukjes naar buiten, oefenen met een stok, niet dat hij er wat aan heeft, hij kan toch niets zien. Wanneer hij even stilstaat bij de kastanjeboom vlak naast de ingang, en de boom aantikt met de witte stok met rode ringen aan het uiteinde, steekt hij onbewust zijn hand in zijn achterzak en voelt iets zitten. voorzichtig peutert hij het naar boven en haalt het uit zijn zak, voelt even, wrijft het tussen duim en wijsvinger en herkent het dan vrijwel direct: een veer, die veer, die veer van toen, onvoorstelbaar, de man wordt kwaad bij de gedachte aan die laatste ontmoeting die er niet was, maar die veer wel. Vrijwel gelijktijdig voelt hij scherpe nagels diep in zijn schouder priemen, hij slaakt een gil van de pijn, hij voelt het bloed lopen, hij krimpt ineen, zakt op zijn knieën en valt voorover. Hij voelt de klauwen krassen op zijn achterhoofd, hoe het beest zich vastnagelt in zijn hoofdhuid om te blijven staan, zijn gezicht in het grind duwend, een zware krawww, krawww, krawww. De man herkent het geluid onmiddellijk en begint te huilen; tranen kleuren het grind donker, zijn lichaam snikt en schokt. Jij, lieve kraai, mijn vriend van vroeger, kom jij me dan helpen? Ons Verbond? De kraai krijst zo hard in zijn oor dat er wat lijkt te scheuren van binnen, het kraakt en piept en schraapt zijn trommelvliezen, de man houdt zijn handen op zijn oren, zijn oren bloeden, zijn hoofd bloedt, hij ziet niets, hoort niets, het schreeuwt in hem en het is donker. De kraai wacht, en pikt een keer hard op de schedel van de man, en nog eens, nog eens, de man gilt als een klein kind en begint help te roepen, help, help … je moet me helpen, hou op.

De kraai komt nu dichtbij en fluistert bijtend in zijn oor: Ja, ik zal je helpen, want we hebben een verbond, gegoten in bloed, bloed dat alles op aarde verbindt, jij mag mijn enige oog hebben, maar het heeft een prijs; je zal zien zoals ik.

De man veert op, echt waar, lieve kraai, echt waar? Ja, je hebt gelijk, ons verbond, je moet je eraan houden, dus ja, geef me je enige oog maar, als ik maar weer kan zien en weer geld kan verdienen, de koerswaarde weer wat kan opkrikken, nog wat nieuwe olie boren of wat extra land inzetten voor kobaltmijnen of veeteelt, ik zal meer winst maken dan ooit, ik beloof het je.

De kraai lacht schel en minachtend: jij belooft, jij? Laat me niet lachen, maar weet je het zeker? Mijn oog met mijn zicht?

Ja natuurlijk, geef me dat oog, kom je belofte na, ik wil weer zien.

De kraai wacht en vraagt het een tweede keer: Weet je het zeker? Je zal de wereld zien zoals ik die zie, zoals ik die ervaar.

Ja, kraai, ik weet het zeker, schiet nou maar op en de kraai vraagt het een laatste keer: weet je heel zeker dat je alles wilt zien zoals ik, ik een kraai, het verleden, heden en de toekomst? Het is een zware last, een nog zwaardere verantwoordelijkheid; je moet het zeker weten. Ja, brult de man ongeduldig geïrriteerd, ja, ja en nog eens ja, wanneer ik de toekomst kan zien kan ik de rijkste man op aarde worden, wie wil dat nou niet, ja, ik wil het.

IJselijke grauw gekrijs echoot over het ziekenhuisterrein, een wolk zwarte veren raast om het hoofd van de man, steken in zijn kassen, krassen, klauwen, zwart wordt blauw, ravenblauw wordt lichtblauw, luchtblauw, blauw met groen, met onvoorstelbaar groen, de vertrouwdheid met het groen, de aarde, er liggen zwarte veren op de grond, de man moet huilen, de kraai ligt dood voor zijn voeten, zijn ogen nu lugubere gaten, een klein plasje kraaienbloed op het grind.

De man begint te trillen, de jaren schieten in gedachten voorbij, wat heeft hij gedaan, wat heeft hij in godsnaam gedaan, zoveel stukgemaakt, alles stukgemaakt en voor wat? Hij rent naar binnen … zuster, zuster … bel alsjeblieft naar mijn huis, bel mijn vrouw, mijn zoontje, ik kan weer zien, ik wil ze zien. De verpleegster belt snel de arts en vertelt hem van het wonder: de man met dat vreselijke fietsongeluk kan ineens weer zien, ja, zomaar, hij was even buiten en toen … ja, ik zag een kraai, maar verder niemand.

Later die avond komen zijn vrouw en zoontje aanrennen, hij neemt ze in zijn armen zoals hij nog nooit heeft gedaan, ze voelen zoals ze nog nooit hebben gevoeld, weer gutsen de tranen over zijn gezicht en hij ziet zijn vrouw, zijn zoontje en tegelijkertijd het verleden en ook morgen, dat zijn bedrijf in Brazilië een stuk amazone heeft gekocht, heimelijk en onder een andere naam, maar toch, dat ze daar miljarden gaan steken in het boren naar olie terwijl ze beloofd hadden te vergroenen, dat de maritieme divisie helpt met de vergunning voor walvisvangst in ruil voor havenrechten voor hun riskante chemische zeetransporten, ze investeren in de grootste steenkolencentrale ter wereld en met kolossale budgetten lobbyen voor vrijstelling van de nooit meer te compenseren CO2 uitstoot, hij ziet … hij ziet alles stukgaan, en hij heeft het gedaan, hij denkt aan zijn zoontje, kom, we moeten gaan, we moeten naar het bos, of wat er nog van over is, snel, nu. Zijn vrouw snapt er niets van, maar haalt vlug de auto en stopt naast haar man, ze doet de deur voor hem open, nog niet gewend aan zijn zicht. Net voor de man instapt, rent hij met zijn voor altijd beschadigde benen naar de kastanjeboom en raapt gehaast wat dingen van de grond en stopt ze in zijn zakken en met z’n drieën rijden ze naar waar ooit het bos was, de plek van de oude kastanjeboom, nu de verlaten green van hole 7, verdomme, een golfcourse op zijn bos, het bos van zijn vader, zijn opa, diens vaders vader, het huisje, waar is het huisje, die vastgoedjongens, verdomme, nee hij, hij, hij heeft alles stukgemaakt, hoe kon hij dit niet zien, al die jaren, alles stuk, zijn hele lijf schudt en trilt, hij zakt op zijn knieën op het zacht gemanicuurde gras. Hij roept zijn zoon en zijn vrouw, kom, graven, we moeten graven, kom op. Zijn vrouw en zoontje kijken elkaar verbaasd aan, maar gaan op hun knieën zitten en samen met de man beginnen ze te graven in de green van hole 7, vuistdiepe gaten in het matgroene biljartlaken, de man voelt in zijn zakken en haalt er drie kastanjes uit, geeft zijn vrouw en zoontje beiden eentje en doet ze voor, hij stopt in het vers gegraven gat een kastanje en dekt het gat teder toe, en duwt de aarde zacht aan, hij kijkt goedkeurend hoe de twee zijn voorbeeld volgen en neemt zijn vrouw en zoontje mee naar de volgende hole, en weer graven ze gaten, planten ze kastanjes, en bij hole 12, 13 de laatste, 18, zijn vingers bloeden van het graven, maar ze lachen, planten, meer planten moeten ze, geef me je hand jongen, beloof me dat je goed voor ons zult zorgen, voor mij en de bomen, voor altijd, en hun handen bloeden, het verbond. En de man begint te lachen, en blijft lachen, hij hoorde alles, hij zag alles, maar het zien wordt zwaar en veel en nu teveel, ze was nog maar 14, met zijn bebloede handen begint hij te krabben aan zijn ogen, harder, dieper, de pijn doet geen pijn meer, het licht ging uit. De jongen houdt de hand van zijn moeder vast en kijkt haar aan met tranen in zijn ogen: is papa dood?

De moeder twijfelt een moment, wil iets zeggen, maar knikt slechts en aait het ventje over zijn hoofdje met de krulletjes. Het jongetje kijkt naar beneden, waar zijn tranen vallen, ze vallen op het eerste gat dat ze gegraven hadden die avond, hole 7, daar waar ooit de oude kastanje had gestaan had zijn vader nog gestameld, hij traant zodat de harde beelden zachter worden, tranen vallen op de donkere bultjes aarde in het verder gekneveld vlakgestreken groen, en dan begint precies op die plek, waar de aarde donkerder kleurt bij iedere traan, een klein plantje te kiemen, een kastanje te spruiten, te wortelen, hij kan het tranen niet stoppen, in het andere gat schiet nu ook een sprankelend groene kastanje omhoog, en verderop ook, bij iedere traan kiemt er een ander, en meer, en hoger, het ventje huilt nu van het lachen, kastanjebomen rammen het klinische gras los van de grond, duwen machtige stammen omhoog, er komen konijnen aanrennen, vossen, uilen, muizen, wormen, eekhoorns, water stroomt, vissen zijn terug, de lucht vult zich met gezang en gefladder, de jongen schatert van het lachen, zijn moeder huilt lachend mee, op zijn schouder landt een kraai, Kraww, Kraww, Kraww, het beest duwt zijn snavel teder tegen de wang van het ventje, hij kijkt opzij naar het glanzend zwart en ziet het oog, zwart als de nacht, oneindig zwart, maar dan heel vlug, licht, blauw wit licht dat over het zwart trekt, kraaien zien alles, ook morgen.


Nog even dit!

Op verzoek van Yvonne een sprookje. Ik zei: ja, tuurlijk, leuk, een sprookje. Al snel bleek dat een sprookje misschien wel de striktste vormen van vertelling kent, een keurslijf, eeuwenlang gedocumenteerd en beschreven, die vaste vorm van overlevering resulteert inmiddels in benauwende conventies, bedaagde afspraken, maar toch, ik had ja gezegd, een sprookje. Toen bleek tot overmaat van vroegtijdige wanhoop ook nog eens dat er grofweg twee soorten sprookjes gelden in "onze cultuur": het oude volkssprookje, vaak een mondelinge overlevering, ergens in tijd ook aan papier toevertrouwd, velen daarvan door de bekende broertjes Grimm, en later ontstaan er kunstsprookjes, waarbij de verteller meer stem krijgt en er een innerlijk mag zijn bij de personen, zoals bij Andersen of Hoffmann. Ik heb beide achter elkaar geplakt door het verhaal te knippen in twee bedrijven, zoals bij een oude vertelling vaak ook gebeurde, een bedrijf voor en een bedrijf na de plaspauze. Het eerste bedrijf volgt de conventies van een volkssprookje, onderscheidend door vlakte, geen innerlijk of mening, en in het tweede bedrijf laat ik dat los, gun ik mezelf meer stem, de karakters krijgen een beperkt innerlijk; het wordt een kunstsprookje.

Hieronder een grove samenvatting van de conventies (allemaal moeten opzoeken, niets eenduidig, hele studies zijn er aan gewijd, dus excuses voor de hiaten, had ik dit geweten...)

Eerste bedrijf - Het volkssprookje

  • Verplichte openingsformule; plaats en tijd blijven onbepaald
  • Geen eigennamen, of hooguit een bijnaam uit een kenmerk; personages zijn functies
  • Geen uitleg; ouders en voorgeschiedenis ontbreken, en dat wordt niet uitgelegd
  • Geen binnenwereld: gevoel wordt meegedeeld
  • Alleen handeling, voorwerp en gesproken woord; gedachten worden hardop gezegd
  • De verteller duidt niet, oordeelt niet, kleurt niet (mee)
  • Vaste toeschrijvingen die nooit veranderen (de arme man, de boze heks)
  • Geen beschrijving, geen landschap, geen weer; voorwerpen zijn van goud, ijzer, glas
  • Drieslag: drie broers, drie opdrachten, drie vragen
  • Woordelijke herhaling, (kan in drieslag;) variatie is een fout
  • Getallen in plaats van schattingen: zeven jaren, honderd jaar
  • Een tekort, een verbod of een belofte aan het begin; het breken ervan drijft het verhaal
  • Merktekens waaraan de held of figuren later herkend kunnen worden, soms (mag) overgaan in symbool
  • Mens, dier, dode en ding delen één wereld en spreken op gelijke voet
  • Het wonder wekt geen verbazing en wordt niet verklaard
  • Eén rechte verhaallijn lijn: geen terugblik, geen gelijktijdigheid; hooguit twee figuren tegelijk in beeld, liever slechts één.
  • Gevolgen zijn stoffelijk en onevenredig; geen uitgesproken moraal – de afloop oordeelt
  • De afloop herstelt de orde en is optimistisch, al mag hij wreed zijn

Tweede bedrijf - Het kunstsprookje

  • Openingsformule of een variant erop; plaats en tijd mogen herkenbaar zijn, hoeft niet
  • Personages mogen namen en individualiteit hebben, maar spaarzaam.
  • Drieslag, bij voorkeur met het gewicht achteraan
  • Woordelijke herhaling als refrein
  • Sprookjesgetallen
  • Een verbond, een verbod of een belofte, en het breken ervan
  • Merktekens die terugkeren en herkend worden
  • Mens, dier en ding delen één wereld
  • Het wonder wordt niet verklaard, maar mag betwijfeld of niet geloofd worden
  • Gevolgen zijn stoffelijk en onevenredig; een gave heeft een prijs en is zelden volledig
  • De verteller heeft een stem: hij mag in het hoofd van een personage kruipen, ironisch zijn, meekleuren
  • Binnenwereld is toegestaan, en personages mogen veranderen
  • Beschrijving, beeld en persoonlijke stijl zijn toegestaan
  • Symboliek mag betekenis dragen
  • De afloop hoeft niet goed te zijn; hij mag tragisch of open zijn
  • Ook geschreven voor volwassenen
Aanbevelen? Signal WhatsApp