Klein kijken

Deel
Klein kijken

En ze lopen ons tegemoet en langs ons door, en ze keken niet, ik zag ze forceren niet te kijken, we zijn de enigen op het pad; je kunt elkaar niet niet zien, maar wel doen alsof. Ik denk dat ze werkelijk niets zien, of niet willen zien, ze kijken zo zichtbaar in leegte, hun eigen leegte, voor zich uit, wat is er dan nog te beleven. En dan nog zien we niet alles wat er is, werelden achter de ogen, of net als Pientje, een neus die ziet wat ogen denken te gaan ruiken. Weer een stel, naar werk, denk ik, fris gewassen, ze geuren te sterk, het regent eindelijk, grijs zonder wind, een beetje, regenbries met dikke druppels die groter zijn dan ze lijken en kouder dan ik verwacht, m’n regenjas blijkt matig waterdicht. Ook zij lopen afgezonderd van de wereld, samen in hun eigen samen, daarbuiten is niets. Ze stappen er zowat op en ik zowat voorbij, goed dat Pientje haar neus beter ziet dan ik kijk, een mol midden op het pad, we kijken samen, ik met mijn ogen. Het beestje is helemaal gaaf, met een velletje zo zacht als een mollenvelletje, zo lijkt het, ik zoek naar leven, maar de druppels natten het grijze vachtje dof donker en nergens trekt het vel spastisch van de jeuk door een vallende drup, het ligt ook vreemd op zijn zij, of is het haar zij, mollen zijn blind volgens ons, ze kijken niet met hun ogen, maar met hun gevoel en met hun neus, hun gevoel in hun neus. Het grijze, natte licht is haar vast ontgaan, ze heeft niets aan licht, wie blind is ziet geen licht, mollen zien ook geen donker, voor haar was het vast overal grijs, het werd pas donker toen ze de grond niet meer voelde, pas toen verdwaalde ze, pas toen paniek, pas toen die fietser, die daar helemaal niet hoorde maar wel was, omdat het korter was, die wel licht had maar toch niet keek, fietsers kijken nooit, en zij kon niet kijken en wilde daar helemaal niet zijn, zou ze het gevoeld hebben, de voorband over haar zachte lijfje, de ribbetjes gekraakt door luie, te zachte fietsbanden, zodat je oneffenheden niet zo hard voelt als excuus? Haar handje houdt ze besmuikt voor haar spitse snuitje met de lieve snorharen die altijd alles zagen, roze handjes, rozer dan die van een baby, de vingertjes, het duimpje, de veel te grote handjes, denk ik, maar als je moet graven om te eten zijn kleine handjes waardeloos, kleine handjes zijn vaak waardeloos, Trump heeft kleine handjes, ik wil het handje aanraken, voelen hoe zacht het roze is, maar het dode is vies en nat, ik twijfel met mijn vinger, maar doe het niet, Pientje doet hetzelfde met haar neus, net niet. Zouden de handjes warm gevoeld hebben toen ze nog leefde, of koud van de koude, natte grond doorweekt met het koude slootwater. De rimpeltjes in haar palm, de nageltjes aan haar vingers, de ogen die niet zien, hoe noem je dat, kraaltjes? Een staartje van niets, ze ligt hier maar op haar zij, dood te zijn, en een man met een belangrijke tas en een stoere blik met zonnebril in de grijze regen loopt geïrriteerd om ons heen, zijn pas verried het, zijn blik niet, hij keek niet, hij had een zonnebril op in de regen, dan hoef je niet te kijken, niemand die het ziet. Het kleine neusje met de nog kleinere neusgaatjes, haar tuitige snuitje, het staat een klein beetje open alsof ze nog iets wil zeggen, misschien wel scheef, we kruipen dichterbij, maar het blijft stil, wat laat ze achter in de grond? Riep ze nog even iets voor het donker werd? Ik wrijf mijn hoofd droog met mijn hand; het water loopt in mijn ogen, waardoor het voelt als tranen, ik weet zeker dat ik niet huil, maar niet heel zeker. Ze ligt hier nu wel onpasselijk, zo midden op het pad, ik zie oneindig veel voetstappen haar krachtig tedere handjes pletten en fietsbanden haar lijfje walsen tot afzichtelijke lengte, ik geef haar een klein tikje met mijn schoen, of eigenlijk schop ik haar de berm in, het kostte nog enige behendigheid, rechts in de bovenleiding van de trein een kraai, hij heeft alles gezien.

Aanbevelen? Signal WhatsApp