Eendjes

Deel

Het is prachtig zomerweer, eigenlijk te warm, te warm ineens in ieder geval, dus druk bij de botenverhuur, vandaag hebben twee meiden dienst, lange dagen van twaalf uur, irritante drukte afgewisseld met evenzo irritante periodes van verveling, de een heeft koffie gehaald in van die te grote bekers met plastic deksels, Latte Maaknieuitwat, de meeste bootjes zijn weg, dus pauze. Ze ploffen neer op het bankje aan de kade, kun je lekker over het water turen, al was het maar golfjes kijken. Ze hebben afwisselend lol, slokje Latte, mobieltje checken, praten, slokje, mobieltje, slokje, mobieltje, omkijken naar fietser, lachen, mobieltje, slokje, t-tshirt goed doen, mobieltje, slokje.
Verderop een eend met drie schattige kuikentjes, van die bolletjes veren waarvan net lijkt alsof ze over het water geblazen worden, mama voorop, de bolletjes er piepend achteraan, ze twijfelt wat, de kleintjes zijn dichtbij, mama dobbert een beetje, haar blik naar links, door, nee terug, de kleintjes volgen nauwgezet haar richting ook al zijn het maar enkele centimeters, nee, toch naar rechts, ze kijkt om… met wilde poten spattend over het water en opgeblazen lijf komt de meerkoet aangedenderd, de hele gracht is van haar, dus opdonderen met je klote koters. Mama zwemt zenuwachtig weg, de kleintjes volgen, maar niet snel genoeg, ze zwemt terug, recht op het zwarte klapperende gevaar af. Een van de kleintjes is al te ver af, de meerkoet trapt met z’n grote blauwgroene poten het veren bolletje onder water en pikt er een paar keer met z’n gillende kop achteraan. De klein is weg, de moeder kijkt nerveus alle kanten op, waar is m’n baby, haar kop schiet van links naar rechts. Ineens plopt de kleine een meter verder weer boven water maar direct duikt de meerkoet er met veel kabaal weer bovenop, trapt de kleine weer onder water, en nog een keer, de moedereend twijfelt, ze weet niet wat te doen, ze heeft nog twee kleintjes en die meerkoet is de duivel zelf, gillen, trappen, pikken, ik zie haar speuren naar het ondergetrapte kleintje, wachtend op een teken van leven om het direct weer uit te trappen, de moeder zwemt nerveus naar de meerkoet en weer terug, heen en weer, draait rondjes, weer terug… plop…het kleintje stuitert bijna omhoog uit het water, zo licht is het, ze schudt wat met haar dons, het koppie gaat heen en weer en zo snel als haar kleine pootjes haar over het water kunnen dragen, spettert ze naar mama en d’r zusjes.
Slokje Latte, ze lachen, gezichten richting het water, de eendjes draaien nerveus om mama-eend heen, nu recht voor het bankje, de meerkoet komt weer aangestormd met onuitputtelijke agressie, stampend met grote poten op het jonge leven, alles moet zijn gracht uit, zijn gracht, zijn. Nog een slokje, mobieltje, de een knikt lachend naar de ander, ze wil opstaan, zet de latte op de grond, nee, geen klant, hij loopt door, ze gaat weer zitten, ze lacht, de ander ook, mobieltje, slokje, friemelen aan d’r haar, opkijken, mobieltje, bijna een slokje, nog een keer opkijken.
De moeder eend is radeloos, de meerkoet dendert telkens met grof geweld over haar en d’r kinderen heen, het hele tafereel nu recht voor het bankje van de meiden, ik hoor de kleintjes piepen, de meerkoet gillen, het water woest kletteren.

Ze zet de beker langdurig aan haar mond terwijl ze op haar mobiel blijft kijken, kijkt even op boven het scherm uit over het water, het doodsgevecht voor haar ogen, blik vooruit, even een moment van verstilling maar dan snel terug naar haar mobiel, de ander haalt het dekseltje van de latte en kijkt hoeveel er nog in zit, draait de beker wat rond, neemt een slokje, mobiel.
De moeder eend begint ineens te gillen en nog sneller te panikeren, ik voel haar hart bonzen in de mijne, haar radeloosheid wordt de mijne, verdomme, ik zie het nu ook; op het bootje aan de kade, half tussen het bankje en de slachting, is een grote Zilvermeeuw geland, vol en vetgevreten van patat en toeristenvet schudt hij zijn kolossale lijf, de vette veren goed. Hij kijkt wat rond, kop schuin naar de twee meiden op het bankje, geen patat vandaag, mot geen Latte, de kuikentjes in doodstrijd, ik zie zijn blik verstarren. Zilvermeeuwen zijn carnivoor, allesvreters als het maar ander dier is, dood of levend, of een beetje levend, of net levend, maakt niks uit, gevreten moet er worden, ook met een te dik patatlijf. Raar behoedzaam voor zijn lompheid, loopt hij met stijf waggelende en misplaatste arrogantie naar de rand van het bootje, nu vlak boven het steeds oneerlijker gevecht, de meerkoet trapt onophoudelijk het kleine kroos schofterig hard onder water, verzuipen dat eendengebroed is duidelijk zijn intentie. De meeuw loert, en loert mee, een kleintje plopt happend naar lucht boven water, pal voor het bankje bij de meiden, de meeuw twijfelt een seconde, kijkt naar het bankje en duikt dan naar het bolletje dons met de zwarte kraaloogjes, de meerkoet duikt obsessief agressief onder de aanstormende meeuw op de kleine af, ziet niets anders in zijn blinde woede, de meeuw is verward, ik zie zijn onhandige vertwijfel en met grote trage klappen van zijn enorme vleugels hijst hij zich onhandig terug naar de rand van de boot, verliest bij de landing een beetje zijn evenwicht, grote platpoten ongeschikt voor balanceren op randjes, z’n gele ogen kleuren zijn naargeestige bedoelingen, hij opent zijn vervaarlijke bek en krijst aanstellerig om zich heen.
Haar blik recht vooruit, niet lang, ze kijkt even naar haar collega die strak verborgen zit in haar mobiel, de meeuw voert een gruwelijk opportunistische duivelsdans uit op nog geen twee meter bij haar vandaan, de meerkoet gaat te keer als een losgeslagen grachtentiran die van geen ophouden weet, weerloze donsjes vechten voor hun leven, ze kijkt weer naar haar mobiel, de grote beker als een trofee in haar hand, samen kijken ze nu gezusterlijk naar hun scherm, hun houding synchroon, een been over de ander, de een de linker, de ander de rechter.
De moeder eend is ten einde raad, de meeuw is te groot, te onverschrokken, ze kent zijn intenties instinctief, de meerkoet blijft aanvallen, ze moeten uitgeput raken van angst die kleine bolletjes. De zilverdemoon met de gele ogen weet van geen wijken, ik wil iets gooien, haal dat kutbeest weg bij die kleintjes verdomme, maar ik sta twee hoog aan de overkant, ik voel de paniek. De mama zwemt nu weg, ze kan niet meer, ze weet het niet meer, niemand helpt, de kleintjes volgen niet meer, murw getrapt, verdwaasd door angst, de zilvermeeuw voelt de situatie in opperste opportunisme en duikt zonder aarzeling nu op het achterste kuikentje, ik zie niet eens wat er gebeurt, zo snel, de meerkoet spettert en stampt, eendjes stuiven weg, hoeveel, geen idee, water spuit in het rond, de meeuw klimt met grote trage slagen omhoog uit het water en schudt zijn kop, de moeder eend is weg, de meerkoet zwemt triomfantelijk terug, breed, met opgeheven vleugels, de meeuw verdwijnt in een stip, het water strijkt zich glad, een bootje vaart langs, lachende jongens, bier.
Ze kijkt op, zet de beker latte aan haar mond en heft hem helemaal, arm omhoog, hoofd naar achter, het laatste restje melkschuim, met suiker misschien? Ze zet de beker op de grond naast het bankje, verzit een beetje en pakt haar mobiel in de hand waarin ze de beker vasthield, het ding heeft haar aandacht weer.

Een vrouw met twee kinderen komt aanlopen, twee meisjes, schattige leeftijd, jurkjes, onbezorgd nog in de wereld. De vrouw wacht op aandacht van een van de meiden, ze wil een bootje huren. Ze draalt nu wat uit terecht ongeduld, het duurt lang, ze zitten verzonken in hun schermen, niets doen leidt tot een afkeer aan iets doen. Een van de kinderen krijgt opdracht aandacht te trekken en voert de taak resoluut uit, ze loopt met parmantige paardenstaart naar de twee drukbezette meiden, gaat eerst nog demonstratief voor ze staan maar wanneer dat niet direct resultaat oplevert, tikt ze de rechter tegen de knie, die kijkt onmiddellijk op, wat verdwaasd geïrriteerd, wat is dit nou, jij kleine… zie je aan de mimiek, dan een matige glimlach, ze staat op en helpt emotieloos en plichtsgetrouw de vrouw en kinderen in een bootje, netjes zwemvestjes aan, hoedjes op tegen de zon, het is bloedheet.
Ik loop het laatste rondje met Pientje, het is lekker afgekoeld, het lijkt volle maan maar er is nog een klein stukje afgeschaafd, er zwemt een eend in de gracht, ze schudt met haar veren, komt half het water uit, strijkt met haar snavel onder haar vleugels en legt ze goed. Aan de overkant is het donker en stil, alle bootjes liggen weer aan de opladers, de straatlantaarn doet het niet, al maanden niet, naast het bankje ligt een kartonnen wegwerpbeker op de grond, het rolt wat heen en weer in de wind, steeds verder bij het bankje vandaan, ik sta aan de overkant, de nijging het tegen te houden voor de naderende val mag niet baten, het rolt naar voren, naar achteren, dan weer verder naar voren, een klein stukje terug, ligt even stil alsof het twijfelt en rolt vervolgens resoluut de gracht in, ik kan er niet bij, ik kan er echt niet bij.

Aanbevelen? Signal WhatsApp