Hop

Deel
Hop

Wakker, kop koffie, buiten op het terras, bijkomen van de slaap, die eerste koffie ruikt ook het lekkerst. Deze ochtenden buiten zijn het fijnste moment van de dag. De lucht is nog fris en vers, knisperend, vol zuurstof. Een bries zonder een moment koud te worden, net genoeg om de slaap van mijn huid blazen, net voordat de zinderende Spaanse warmte straks aanzwelt, het bruist.

De tuin bloeit paars, geel, fuchsia, lila, rood, wit, bonter kan bijna niet, en alles kleurt prachtig in wanordelijk samenspel tot een weldadig palet tussen tinten groen en onder kraakhelder blauw van een wolkenloze lucht die alles intensiveert.

De hoppen zijn weer terug. De taxichauffeur die ons ophaalde vanaf het vliegveld schreeuwde het al enthousiast toen hij ons het pad op reed: “Mira, ahí, ese pájaro mierda, una abubilla, mira!” Toen we ons huis net hadden, waren er altijd hoppen: hun crèmekleurige veren met die markante zwarte strepen en die mooie kuif, hun stuiterende manier van vliegen. Onze Engelse buren noemen ze passender hoop (spreek uit: hooeep, dus met een lange ‘oe’—dat duidt het beter aan, hop is te kort, zoals Nederlands wel vaker is: kort en zuinig). Ze zijn jaren weg geweest, geen idee waarom, ook hier is de natuur een wankel evenwicht. Er zitten er nu drie in de boom, die grote, daar in de hoek, ik weet niet welk soort boom het is; hij bloeit geel en veel, uitbundig zelfs. Armando vertelde eerst dat het een jacaranda was, maar dan een gele soort. Ik vertrouw hem nog steeds niet helemaal, we hadden jacaranda’s bij hem besteld, vijf stuks, twee werden geel, de andere drie wel lila, maar telkens is het te onbelangrijk om op te zoeken, het blijft een gele jacaranda.

Ze hoepen in een kalm ritme op en neer en vliegen in hoepende vlucht naar de andere tak: hoep omhoog, hoep naar beneden, over de tuin naar verderop. Een voor een hoepen ze omhoog en weer terug: hoeperdepoep. Kuifje hoep omhoog, kuifje hoep naar beneden, mooi hoor, een hoepkroontje die ze te pas en onpas optuigen, gewoon omdat het kan. Over hoep gesproken: ze worden niet voor niets poepvogel genoemd. Ze maken hun nesten bij voorkeur van mest, en daarom stinken ze enorm, zeggen ze. Ik heb er nog nooit een geroken, ik ga zelden aan een vogel ruiken, jij? Ze hoepen veel te snel weg.

De musjes hebben hun nestjes dit jaar écht in ons mussenhotelletje gemaakt: zes kastjes naast elkaar tegen een schaduwmuur opgehangen. Ten minste drie hokjes zijn er bezet. Druk in en uit gefladder. De ranke, Spaanse tengere ouders vliegen af en aan naar hun nog te dikke kinderen die met een brede bek uit het raam hangen, wachtend op nog meer eten, nooit genoeg. Behalve deze mussenpubers is geen enkel dier hier te dik. Alles leeft in essentiële efficiëntie van het leven in de Spaanse hitte en vooral droogte. De lente was natter dan normaal; het land staat vol struiken en planten, nu nog wel, maar de zomerhitte is al bijna tastbaar, nog even, nog een paar weekjes, misschien. Het groen wordt al bruiner en snel zal alles dor droog zijn, verpoederen onder het vernietigende UV-geweld. Wie niet tenger, taai en slank is overleeft hier niet. Ook de konijntjes—het tegenovergestelde van de ronde, gezellige bolletjes in Engeland—zijn hier meer een soort heetgewassen hazen: tenger, snel, klein, ielig past ze beter. Ze kunnen een dag teren op een likje water uit de irrigatieslang. De Engelse dikkertjes, zoals we die zagen in het voorjaar met de camper, lebberen de hele dag aan sappig gras; deze pezige hier moeten knagen op verdord onkruid met gemene, stekelige bladeren en harde stengels, maar nu nog niet, nu is er sappig en leven in overvloed.

Een paar spreeuwen vliegen af en aan, de valse peperboom in. Hun volle, holle fluit contrasteert mooi met hun krijsende eksterimitatie—ten minste, ik denk dat het een eksterimitatie is, ze imiteren van alles en ik heb geen idee wat écht “spreeuws” is. Daar is weer zo’n fluit, heerlijk, alsof ze de toon opzuigen met holle wangen. Spreeuwen zijn de smaakmakers in de tuin, onaangenaam ondergewaardeerd, bij vogelnamen is het Nederlands op z’n zwakst, negatief bijna, wat is dat nou voor een naam voor zo’n schitterende, vrolijke snuiter; spreeuw, die spugende, knijpende keelklank, dan toch weer het Engels, zeker bij vogels, veel positiever, eervoller zelfs; Starling, of dan nog het Spaans; Estornino, inderdaad, het zegt het allemaal.

Vier zwaluwen acrobatiseren onophoudelijk door het felle blauw: korte wendingen, lange doordraaiers, abrupte stops, een tjerpende jachttoon. Soms zie ik er eentje een insect vangen en dan snel weer door. Snel vliegen kost ook veel energie, dus veel eten, veel vangen is veel jagen, is hard vliegen, zo altijd bezig.

Twee paar tortelduiven—vier dus—er zijn er veel meer in de buurt, maar deze wonen hier. Ik kan ze helemaal niet uit elkaar houden. Tortelduiven lijken altijd op een tortelduif, op eentje na: die mist een paar staartveren, een beetje een slordig typje, wel praatjes voor tien, een onophoudelijk stotende oe-oe-oehoe, die woont hier dus. Ik hoor er geen roekoe in, zoals mij vroeger geïndoctrineerd is. Roekoe? met een R? Echt niet. Vroeger had ik tortelduiven. Een mooie volière getimmerd van een oude kledingkast. Mijn kinderkamer was op zolder, ruimte zat. Ontsnapt tijdens het schoonmaken. Ik heb me m’n leven voorgehouden dat ze gelukkig verder leefde in de berkenboom voor het huis. Maar ja, hoe herken je een tortelduif? Ignorance is bliss.

Een bijzonder tafereel in de palmboom: een ekster heeft een rare haat-liefdeverhouding met een voor mij onbekende vogel. Een lange, slanke met een zwart kapje, een enorm lange staart, witte sokjes. Geen idee. Zodra die vreemde vogel begint te kwetteren, komt de ekster naar hem of haar toe, de snavels tegen elkaar, meer niet. Geen vechten, pas na een tijdje wat irritatie, en dan druipt de ekster onder luid geëkster af, met een valse krijs, natuurlijk, het blijft een ekster. Een raar schouwspel, het herhaalt zich nog een paar keer: daar, in de palm, maar ook op een andere plek, telkens net te ver weg om goed te zien wat ze doen of wie die andere vogel is.

Ineens stormen een stuk of tien mussen onder luid gekrakeel door de tuin. Twee schieten er over het terras, ze krijsen en schateren langs en door de bomen, felle bewegingen, duidelijk mussenbonje. Wie met wie is niet te zien, maar mussen zijn opgewonden standjes en er is duidelijk fittie, dan zal de rest van de wereld het weten ook, blinde furies. Het kolkt van de mussen op de grond: trappen, slaan, schreeuwen, en weer door, hoog, laag, door de struiken, een herrie alsof ze allemaal vermoord worden, of bloeddorstig rondgillen. En dan plots weer stil. Drie landen er in de jacaranda, twee op de rand van het zwembad, een handjevol vliegt in slagorde omhoog en uit het zicht. De wereldorde is herschikt. Het is weer goed zo.

Een kwikstaartje hupst heen en weer langs het zwembad. Zijn staartje kwikt lekker op en neer. Hij kan het niet laten, een kwikhik. Ik zie hem soms moeite doen stil te houden, maar dan toch: kwik, kwik… en dan vliegt hij tien centimeter omhoog, hangt stil in de lucht, draait om een fladderende vlinder heen, erover, ernaast, alles in dat kleine stukje luchtruim en op z’n kop vangt hij die vette vlinder, draait weer terug, hangt nog even stil en landt weer op de rand van het zwembad, direct weer kwikkend met z’n staartje, loerend naar het volgende insect, er is genoeg. Alles bloeit, alles vliegt en zoemt.

Een clubje kraaien vliegt over. Ze klooien wat in de lucht, maar ze gaan duidelijk richting het dorp, geen haast. Tuig van de lucht. Ze krijsen wat naar beneden. Eentje vliegt een rondje om de ander, ff pesten, kan niet anders. Ze gillen wat naar elkaar, klotekraai die je bent, ze rotzooien verder.

In de struiken onder de yucca’s druk gescharrel van de merels. Vanavond weer hun heerlijke gezang, nu zijn ze druk eten zoeken tussen de dorre blaadjes, hun gescharrel geeft een onrustig geluid, net alsof er telkens iemand loopt langs het hek. Een klein vogeltje schiet weg uit de struik met de roze bloemetjes. Het is zo’n beestje met een eentonige tjirp, een schattig ventje, irritant geluid.

Zo, tijd voor een tweede bakkie.

's-Avonds vind ik een een typische hop veer, maar kan ook van een ekster zijn.

Aanbevelen? Signal WhatsApp