Kappen
Soms zie ik er nog eentje gedurende de winter, vanaf de kale iep voor het raam kijkt hij dan met een schuin koppie mijn kant op en door het raam naar binnen, maar zodra hij merkt dat ik hem ook zie, vliegt hij overdreven schuchter weg, meestal duikt hij naar beneden, de struiken in, waar de begroeiing nog iets van dekking geeft. Ze lijken ook zo op elkaar, geen idee wie het mannetje of vrouwtje is, totale afwezigheid van seksuele dimorfie (wikipedia), ik neem tenminste aan dat het een biologisch setje van mannetje-vrouwtje is, maar ook dat zie je dus niet, ja tijdens broedseizoen kan het mannetje iets vocaler zijn, maar met geluidsdichte voorzetramen lijkt dat een onmogelijke determinatiestrategie. Laatst heb ik een heel stukje gelezen van iemand die zich er ook zo druk om maakte en nu ik zelf; vocaler, anglicisme pur sang, ik erger me, probeer het te ontwijken en flop, daar is het; more vocal.
De hele winter kleurt hun mooi grijze verenkleed prachtig in contrast met de helder blauwe vlakken op hun flanken, die lijken soms op te lichten in de donkere winter, de zwarte tekening op hun kop en snavel verraadt hun kraaienafkomst, ze passen hier niet in centrum Amsterdam, maar deze twee horen hier wel, het stelletje Vlaamse gaaien in de tuin van de buren. Al zolang we hier wonen leven zij in de grote Atlasceder, de oude dame met de altijd blauwgrijze naalden en de melancholische dracht van haar enorme takken. Deze bomen groeien langzaam, te langzaam voor de snelle stedelijke ontwikkeling van tegenwoordig, waarin bij iedere gemeente verkiezing er weer het nodige op de schop moet en groen en vergroenen wel modische klinkt, maar het liefst instant en portable is. Ergens begin vorige eeuw moet ze zijn gepland, wat maakt zo’n oude boom niet allemaal mee, mooi ook in het plantsoenachtige stukje tuin aan het einde van de straat, beeldbepalend, passend bij de gebouwen en de ruimte, passend ook bij de toch wel zware geschiedenis van deze oud joodse buurt.
De gaaien maken zich op voor een nieuwe lente. Ze zitten al wat vaker bij elkaar, ze worden levendiger, beginnen soms al met takjes te zeulen, geen idee of het nestbouw is, ik denk het wel. Verder wonen ook twee eksters en hoog in een plataan in de straat hiernaast een kraaienpaartje. Af en toe gaan de kraaiachtigen tekeer tegen elkaar, ze verdragen elkaar slecht als soortgenoten, de zwarte tegen de witten tegen de blauwen of andersom en door elkaar, het klinkt bekend, iedereen zijn eigen boom, de gaaien zijn het meest verlegen van de drie maar vechten net zo hard om hun plekje in de oude ceder als de eksters in de iep, eigenlijk zitten ze te dicht op elkaar vinden ze allemaal, maarja, dat heb je nu eenmaal in de grote stad, wees blij dat je je eigen boom hebt.
De eigenaar van het kantoor heeft vorig jaar vergunning gekregen de boel te verbouwen tot appartementen, verhuur uiteraard. Hij is zelf met zijn bedrijf wat verder uit het centrum gaan zitten, verstandig, meer en betere ruimte, ook voor je personeel en parkeren. De aannemers zijn al druk in de weer, containers, toilet, een hele keet van twee etages, alles wordt in de tuin rondom de oude boom gepropt, de klus gaat beginnen. De gaaien zijn onrustig, ze houden niet van drukte, laat staan indringers en opdringers, ik zie ze amper nog. Ja hun boom is nog hun huis, maar al dat gedoe is ze echt teveel. ‘s-Avonds zie ik ze voorzichtig scharrelen, een poging alle grove veranderingen in hun thuis te verwerken, het lukt met moeite. De eksters niet, die vinden het prachtig al dat avontuur en nieuwiteiten. Zoeken naar restjes eten van de timmermannen, pikken aan een klokhuis, wegvliegen met een lege zak chips, de kraaien komen ook regelmatig met veel poeha op bezoek, trekken de hele container leeg op zoek naar de vrijdagmiddagboterhammen. Die verdwijnen allemaal onaangeroerd in de vuilnisbak. Op vrijdagmiddag staat de frituur aan naast de keet, dus broodjes pindakaas, hoe goedbedoeld ook, even niet. De mooie zwarte kraai sleurt er een hele dubbele boterham uit, opstijgen met je bek vol lukt niet meer, hij kraakt er wat gekrijs uit en een paar tellen later komt zijn partner helpen met de boterhambuit. Vliegensvlug wordt het bammetje in heus teamwork gesplitst en vliegen ze beiden, in strakke formatie, met ieder de helft van de timmermanslunch terug naar hun hoge nest verderop, de gaaien zien ongetwijfeld alles maar houden zich al die tijd gedeisd. Ik zie ze nu alleen eigenlijk nog in de weekeinden, geen timmerlui, geen af en aanrijdende vrachtwagens, geen schreeuwende schilders, dan is de tuin weer even die fijne plek die het hun leven lang al was en de boom weer even van hun, dan zitten ze weer dicht bij elkaar tussen het grijsblauw van de ceder, te gaaien.
Ik ben geabonneerd op ‘Mededelingen mijn overheid‘ zodat ik op de hoogte blijf van gedoe in onze postcode en 50 meter daaromheen. Enige invloed kan ik er niet aan ontlenen maar dan geef ik in ieder geval de overheid het gevoel dat zij de burger daadwerkelijk betrekken bij deze eenzijdige informatiestroom. Aanvraag Omgevingsvergunning: ‘Kappen van een boom in de achtertuin.’ Het bericht dringt half tot me door, immers het tuinparkje is geen achtertuin, het is meer voortuin, hooguit zijtuin, in ieder geval, zou het de oude ceder zijn? Dat kan toch niet waar zijn, die boom staat echt niemand in de weg, ik wil het nu weten, nadruk op nú. Uit ervaring weet ik dat reageren op een melding handig is, maar reacties lang uitblijven en met kapvergunningen is haast geboden, immers om is om en dan volgt hooguit een schamele boete en heel misschien een herplantplicht, maar dat herplanten mag ook totaal ergens anders zijn, Diemen ofzo en ook nog eens een heel klein boompje en al helemaal geen honderd jaar lief en leed. Ik ga bellen en word uiteraard doorverwezen en doorverwezen, maar soepel genoeg, uiteindelijk de goede dienst te pakken.
Terwijl ik met de telefoon aan mijn oor naar de boom kijk, hupt er even een van de gaaien uit het donkere niets in de boom een tak lager, kijkt rond in de omgeving, ziet hij mij voor het raam bellen en foetsie.
Ze wisten van de aanvraag, die mooie oude Atlasceder inderdaad, beeldbepalend, wat u zegt, prachtige verrijking van de buurt, vonden wij ook, wij hebben negatief geadviseerd dus maakt u zich geen zorgen.
Een week later, mijn vertrouwen in de overheid stijgt tot nieuwe hoogten, vergunning afgewezen, de boom mag niet gekapt, tenminste, niet van de gemeente. De steigerbouwers denken daar anders over. Met grof geweld worden twee grote brede takken met een vorkheftruck van de oude dame afgerukt, en nog een, wat hoger worden wat kleinere takken er met de hand afgescheurd, ze hadden er makkelijk omheen kunnen werken maar is lang zo stoer niet. De dag erna begrijp ik het, er wordt een poging gedaan een groot spandoek op te hangen aan de steiger met de mededeling dat het kantoor is verhuisd, maar nu staat die klote boom er half voor, commercieel volstrekt onverantwoord, al dat geld voor een spandoek voor niets, verkloot door die kutboom, dat gaat niet gebeuren, dus nog maar wat takken amputeren, haar hele linkerkant is nu zwaar gehavend, het spandoek hangt, maar is vanaf de straat amper leesbaar, het zou zo halfslachtig en onleesbaar blijven hangen gedurende de hele verbouwing. Die takken van misschien wel honderd jaar oud, groeien nooit meer aan. Half gekapt, dat mag wel, het morele randje opzoeken is een volksaard. Ik heb de gaaien die zomer niet meer gezien, ze horen er wel maar waren duidelijk ongewenst. Misschien hadden ze niet zo verlegen moeten zijn, schreeuwers krijgen vaak wel hun zin, de gaaien niet, die zijn alles kwijt, geen idee waar ze naar toe zijn of moeten. Amsterdam zit vol, het weinige groen bezet door houtduiven en invasieve parkieten die vrolijk de hele buurt terroriseren, gillend vlak langs de gevels suizen, wat een druktemakers.
De verbouwing is klaar, best mooi geworden en keurig in stijl van het origineel gerenoveerd, alhoewel de onderontwikkelde smaak van de ondernemer nog wel tot uiting komt in de fantasieloze maar o zo verhuurverantwoorde up-down armatuurtjes aan de gevel, verder is alles een verbetering en vooral ook rust. De oude ceder staat er triester bij dan ooit, haar allure en karakter ontnomen ten gunste van een onleesbaar tijdelijk spandoek zonder enige betekenis behalve ondernemersego, een bekend type, de verder niet zo bijzondere zelfverheerlijker. Belangrijker, het is weer lente in Amsterdam.
Kijk wie we daar hebben, de gaai, voor het eerst op de vensterbank van het raam, schuw als altijd, dat nog wel, ik durf niet te kijken, ik weet dat hij ziet dat ik kijk, kraaiachtigen weten dat altijd. Ik probeer te zien met de randen van mijn blikveld. Veel minder scherp dan ik zou willen zie ik hem zijn veren schudden, schichtig naar binnen kijken, even schuin naar boven, dan weer naar binnen, ik voel zijn blik, hij toch ook de mijne en nog net nu ik hem aankijk zie ik hem afzetten op de grijze steen van de vensterbank en in een duikvlucht dendert hij zichzelf naar beneden. Ik sta snel op om hem te volgen en vang hem met mijn ogen, net wanneer hij bijna de grond raakt en weer omhoog glijdt, een paar keer krachtig met z’n vleugels klapt en behendig landt, hoog en diep in de beschutting van de oude ceder. Een fijn idee, de gaai is er nog, de ceder ook, ze horen hier, tevreden een slok koffie. Ik staar hem op flinke afstand aan en vorm nu alleen nog maar een verre vlek achter glas. Hij hupst wat heen en weer op de tak, een paar stapjes zijwaarts en nog wat verder opzij, koppie omhoog, en uit het donker boven hem, springt zijn meisje vlak naast hem op de tak, ze raken elkaar net niet, het setje is er nog, fijn. Gebrek aan seksuele dimorfie, ik hoor ook niks, maar ik hoop wel heel erg op kleine gaaitjes deze zomer.