Paars
Mijn moeder komt thuis van boodschappen doen, het is weekeinde, dus ze is naar het plein geweest, zo noemen we kortaf het kleine winkelcentrum in de buurt. Ze werkt de hele week, de ouderwetse 40+urige werkweek en vaak doet ze dan nog even snel onderweg naar huis boodschappen, de supermarkt in en snel weer uit, vlug naar huis, eten koken, de kinderen zitten alleen thuis te wachten. Ik herinner me de naam ineens weer van de groenteboer, Van Engelen en besef pas nu de leuke associatie. Ik moet een jaar of zeven, acht geweest zijn, oud genoeg om dit soort details nog te onthouden. Sommigen claimen nog dingen te herinneren van toen ze drie of zelfs twee jaar jong waren, ik niet, hooguit vijf, noem het trage ontwikkeling.
Een papieren zak, ik weet nog van de keren dat ik mee ging boodschappen doen, hoe ik verwonderd keek naar hoe de groenteman, een vrolijke kerel met krullen en gezonde blos, de papieren zak met sperciebonen, ja, smakelijker met een ‘c’, op een speciale groentemanmanier van boven dichtvouwde en bijna trots op de weegschaal zette om vervolgens met een balpen het gewicht en het bedrag op de zak te schrijven. Niks rekenmachine of kassa, de totalen nam hij over op de laatste zak, dubbele streep er ferm onder. De zakken van bruin beige papier met een flauw streepje in de lengte, afgewerkt met een kartelrand aan de bovenzijde, op de zijkant bedrukt in rood, geel en groen, afgezwakt door hun transparantie op de beige ondergrond, een lachende aardbei en wat overige fruitvriendjes om hem heen met daarboven “Uw Groenteman”; dat is dan vijf gulden en een dubbeltje, anders nog iets? De steevaste afsluiter, wellicht een afgestompte hoop op nog een extra aankoop, maar meer ingesleten beleefdheidsjargon; …wie is er dan aan de beurt? Mijn moeder pakte voorzichtig, één voor één de bruinige papieren zakken op van de onmetelijk hoge glazen toonbank en plaatste ze behoedzaam in haar boodschappentas, eentje van geweven kunststof als een dicht net, vaal rood met vaal gele dikke verticale banen en verchroomd metalen handvatten met grijs plastic bekleed, kommetjes voor je vingers voorgevormd; kom op, nog even naar de slager.
Kersen, niet mijn échte lievelings, dat zijn peren, maar wel altijd korte tijd van het jaar en op andere momenten, en dus nu wel mijn lievelings. Kersen zijn ook het begin van de zomer, begin van de zomervakantie, vooral het aanstaande van de zomervakantie gaf zo’n fijn verlangend gevoel. Beter nog dan de vakantie zelf, dan was het alleen maar weer het nare, onoverkomelijke van een naderend einde. Een hele zak vol, volgens mij wel een pondje, het mocht een onsje meer zijn denk ik, ze wast ze af onder de kraan in de keuken, de witte knoppen voor koud en warm op de keukengeiser, een zwengel uitloopkraan beweegt ze heen en weer terwijl ze met haar andere hand de oranje vergiet onder het water omschudt, oranje en paars, de kleuren van mijn jeugd. Paars heb ik verfoeid, niet oprecht denk ik, mijn moeder vond paars mooi, ik vond het dus stom, een stomme kleur, oranje trouwens ook, mijn moeder droeg veel paars, vandaar. De afgespoelde kersen legt ze op een Mepal bord, onverwoestbaar spul, handig met kleine kinderen, maar soms komt er toch een barst in, weet ik van later. Groen, grijs, blauw, een beetje petrol kleur zou ik nu zeggen, toen gewoon blauw, de bodem gehavend door snijdende messen in een wat sleetse fletsheid, de paarse kersen kleuren slecht op dit bord. Het bord met kersen komt pontificaal op de grote eettafel in de woonkamer, zo was het altijd thuis, de eettafel het middelpunt van het leven, altijd wat kletsen, nooit ongemakkelijk, legpuzzels op een plaat hardboard, fruitschaal met mandarijnen, de krant, haar agenda, hooguit ‘s-avonds een uurtje in haar luie stoel nog even iets van TV kijken, ik weet niet wat ze keek, TV was niet haar ding, dat was de eettafel, lekker groot, soms zelfs een tweede tafel er tegenaan. Tenminste acht stoelen, liever tien, er was altijd volk, buurkinderen, mijn vriendjes die meeaten, of de vriendinnetjes van mijn zus. Alleenstaande ouder, maar nooit alleen. Misschien soms eenzaam, dat wel.
Ik moest op mijn knieën op de stoel om bij de kersen te kunnen komen, snel zoeken naar “dubbelen”, die kon je over je oor hangen als oorbel, snel, ik moest ze eerder vinden dan mijn zus, dubbele waren bijzonder maar driedubbele waren echt de allerbijzonderste, ik heb er denk ik inderdaad maar een enkele van gevonden in al die tijd dat ik kersen eet. Ga op je kont zitten, roept mijn moeder dwingend en met tegenzin doe ik alsof, ik kan zo nog net bij het bord en graai wat kersen; heb je nou je handen al een keer gewassen, viezerik? Ik doe de kersen in mijn linkerhand en laat demonstratief de binnenkant van mijn rechterhand zien, wissel de kersen om, er valt er eentje, en laat mijn linkerhand zien. Nog voor ze kan reageren duik ik naar beneden om de gevallen kers op te rapen, ik ga gewoon zitten, de kersen in beide handen omklemd als een kommetje, ik pluk er wat in om te kijken welke misschien aan elkaar zitten, allemaal losse. Snel wissel ik ze om met een nieuwe graai vanaf het bord op tafel, behendig doorzoek ik de hele berg, hè, er zit maar één dubbele tussen, ik hang hem wat teleurgesteld over mijn oor, niet echt trots, maar ja, een dubbele hang je nu eenmaal altijd over je oor. Ik kijk naar mijn handen, natuurlijk, die zijn nog vies van het buitenspelen, zwarte randjes onder mijn nagels, proef je toch niet.
Niet die pitten op tafel leggen, je bent toch geen baby meer, kom op, pak eens een bordje.
Eerste week van juni, begin zomer, begin ook van de kersentijd, de lekkerste tijd van het jaar, de verwachting van zomer, buiten, staren naar de lucht en vogels. We zijn in Spanje, alle fruit is hier groter, mooier, zoeter en eerder. We hebben de kar al redelijk vol met groente en fruit, vermoedelijk alweer teveel, maar aan de kopse kant van de schappen met fruit, grote dozen met joekels van glanzende kersen. Mooier kunnen ze bijna niet, natuurlijk gaat de kilodoos sappige kersen de kar in.
Ik was ze af in een witte plastic vergiet, wit, de kleur van niets, net zoals zwart, alhoewel een zwarte vergiet dan misschien nog wel bijzonder zou zijn, maar zeker geen kleur bekennen, het is geen paars of oranje. Ze zijn echt prachtig, die glans, dat kan toch niet echt zijn? Ach, ik heb ze afgespoeld dus het zal wel goed zijn. Uitlekken en zachtjes in een mooie porseleinen schaal laten rollen, zelfs het geluid van de vallende paarsrode bollen klinkt aantrekkelijk, ik kan mijn glimlach niet onderdrukken en hou de schaal bijna trots voor me en zet hem behoedzaam neer op het aanrecht. Daar kom ik gedurende de dag het meeste, dus telkens een kers pakken, of twee, of een handje bij het langslopen, ze zijn gegarandeerd zo op; Niet in de koelkast zeker? je wilt ze liever hier laten staan? Ze kent me, ze weet mijn antwoord.
Ik was mijn handen, doe ik tegenwoordig veel meer dan vroeger, ik speel bijna nooit meer buiten, vreemde tegenstrijdigheid, vertrutting, volwassenheid, één pot nat. Ik roer met mijn handen door de gave kersen, veel groter dan ik me kan herinneren, paarser ook, mijn lievelingskleur. Mijn pink blijft hangen tussen wat kersen, zachtjes trek ik ze omhoog, het gevoel van het opvissen van een dubbele vergeet je nooit, het voelt zwaar, ik heb beet, ik ondersteun ze met mijn andere hand, dubbel, nee drie, nee, hè, vier, het is een vierling, een vierling, what the fuck, vier kersen aan een trosje, kom kijken, kom, kijk dan, hier, een VIERLING!!!