Plas
Afgelopen maand het bijzondere boek “De zaak van de Dieren tegen de Mensen” gelezen, een Arabisch boek uit de 10e eeuw, geschreven door een filosofisch broederschap, een oneindige reeks argumenten die de mens declasseren als zelfbenoemde heerser over de aarde en de andere dieren. De rechtszaak, aangespannen door de dieren, wordt voorgelegd aan de koning van de Djins, neutrale geesten, geen mens en geen dier, geschapen uit vuur, zoals engelen uit lucht en mensen uit aarde en klei. De dieren zijn de mishandeling en onderdrukking door de mens zat. De tegenargumenten van de mens zijn zwak en vaak valselijk, angstvallig actueel en dodelijk herkenbaar, maar toch een millennium geleden geschreven door een stel anonieme denkers, anoniem uit vrees voor eigen leven, godsdienst de dreiging, het zal eens niet, daarbij, religie is feitelijk het enige argument voor de mens, god immers heeft bepaald dat de mens een uitermate geschikte heerser is en de boel wel eventjes zal regelen voor al het andere leven op aarde. Verrassend in het boek de vereende argumentatie van diverse religies; allen hebben een god en een profeet, de namen doen er blijkbaar minder toe. Ze blijken het vooral op te hebben met de mens, terwijl de goden uit de diverse vertellingen dat mensvulles in alle geschriften wel degelijk uit hun beoogde en meest ideale setting; het heerlijk paradijs, hebben getrapt, en was dat niet vooral vanwege onbetrouwbaarheid van de soort en diens korte termijn eigengewin? De engelen uit de Koran hadden al zo hun twijfel: “Zult U iemand aanstellen die verderf zal zaaien en bloed zal vergieten?” God wist het beter: “Ik weet wat jullie niet weten.”
De afgelopen nacht heeft het flink geregend en de ergste hitte uit verschroeid Amsterdam gespoeld, je kunt het ruiken. Ik sta voor het raam en uit het niets vliegt een donker silhouet van ooghoek naar ooghoek en weg uit het zicht, net boven de dakrand, terugkerend in een dramatische boog, de karakteristieke vingers van zijn zwarte grote vleugels gespreid, landt hij met een zware “kraawww” op het hek van de buren, recht tegenover mij. Ik stop abrupt met mijn slok koffie, verslik me half en kan mijn glimlach niet inhouden; zo, ben je daar, kraai!
Hij draait wat met zijn kop, kijkt eens om zich heen, maar blijft mij zien, achterom kijken en dan weer op mij gericht. Een voorbijgangermens loopt vlak voor hem langs, maar ziet hem niet, dat wil zeggen, kijkt niet, de kraai ziet de mens wel, kraaien zien ons altijd, altijd eerder, altijd beter, wij kijken nooit, nooit echt, te druk met onszelf of mobieltje. Hij heeft een paar witte veren, leucisme, gewoon ineens wit, herkennen we elkaar? Met Luna liep ik iedere avond na het eten langs de Singelgracht, vaste prik bij de brug een paar kraaien die bedelden om een hondenbrokje, na een paar weken wisten de kraaien, Luna en ik niet beter, we rekenden op onze ontmoeting: Luna een brokje, de kraaien een brokje, ik gelukkig, ik mis Luna.
Een van de jonge kraaien, een puber van voorgaande lente, had toen al een witte veer op ongeveer diezelfde plek, linkervleugel, het was een beetje een scharminkel en ook deze, die nu recht voor me zit, is een beetje slordig in het verenkleed, het zal toch niet dat hij mij gevonden heeft?
Hij begint nu luidkeels te “krawww….krawww…krawwen, heftig met zijn lijf en kop ritmisch naar voren duwen …KRAWWW…
De papegaai in het boek beargumenteert dat de mens zo zelfvoldaan is met zijn dichters en redenaars, maar niets verstaat, niet de meditaties van de krekel, de smeekbedes van de kikker, de waarschuwingen van de uil en niet de waarzeggingen van de kraai. De mens heeft geen weerwoord, maar overlegt tijdens de rechtszaak al het onrecht, kommer en kwel wat hen overkomt wanneer zij niet in het gelijk gesteld worden; ze geen winst meer kunnen maken met verkoop van dieren, ‘dead or alive’ en ze geen gebruik meer kunnen maken van dwangarbeid van de dieren op het land en ze zelf het zware werk zouden moeten doen. Gedurende het hele proces van hoor en wederhoor beaamt de Djin het gelijk van de dieren en veracht hij de repliek van de mensen. Tot het laatste menselijke argument; dat zij als enige zullen herrijzen in het paradijs, zoals beloofd door God. Dan is de Djin om en als de mensen goed leiderschap beloven, stemmen ook de dieren in met de uitspraak, één alinea na honderden pagina’s dierengelijk.
Vol ongeloof kijk ik naar de kraai op het hek, hij schreeuwt nu vol in mijn gezicht, we kijken elkaar aan als oude vrienden, de herkenning is fantastisch, wellicht te stellig en misschien eenzijdig, maar toch. Snel pak ik wat brokjes uit het keukenkastje, schuif het raam open zonder ook maar een moment angst dat hij daardoor weg zal vliegen, hij kent mij toch? Ik gooi een paar brokjes op de straat beneden, nog een paar, recht voor hem. Onmiddellijk stopt hij met schreeuwen en begint de straat te scannen op eventueel naderend verkeer, een aanvalsplan is in de maak, ik zie hem denken, kijken naar de brokjes, daar verderop, bijna onder hem op straat, naar opzij, naar mij, naar de brokjes, naar mij, en dan springt hij van het hek, meer sierlijk vallen dan vliegen, en hupst vervolgens een beetje quasi nonchalant heen en weer, telkens een schuin oog naar mij, naar de brokjes, steeds een hupje dichterbij. Een tortelduif landt onnadenkend tussen de kraai en de brokjes, gewoon om wat te tortelen, geen interesse in brokjes of verkeer, vandaar altijd dode duiven op de weg. De kraai is wat geïrriteerd en hupt zijwaarts naar de duif, pure intimidatie, de duif waggelt midden over straat weg uit het doelgebied en gaat wat zitten wroeten tussen hoog gras naast de lantaarnpaal, geen idee. De kraai hupt van de stoeprand de straat op, goed kijken links, en weer rechts en nog een keer links, en loopt dan snel naar de brokjes, pakt er eentje op, rolt er wat mee in zijn snavel en laat hem weer vallen, kijkt nog even naar mij en pikt razendsnel nu alle brokjes behendig op en vliegt met volle bek weg. De duif scharrelt nog even door bij de pispaal en wordt bijna geschept door een fietser, hij heeft niets door, de fietster ook niet.
Het boek gaat ook over verwondering en schoonheid van de natuur, hoe dieren in alles de mens overklassen en de mens zich noodgedwongen moet beroepen op een hogere macht om zijn gelijk te krijgen en zijn onbegrip over de wereld om zich heen te kunnen verklaren. Verwondering als zonde; alles moet verklaarbaar door een macht die er toch vooral is om de mens te verheffen boven andere dieren, het verwonderen als enig onderscheidend kenmerk verruilen voor zelf toebedeelde macht en recht, ieder onbegrip altijd een wonder Gods.
Ik neem nog een kop koffie en denk terug aan de wandelingen met Luna, de kraaien, wat zijn het toch gave beesten. Een tijdlang oneindig veel foto’s van kraaien gemaakt, bijna ieder shot vond ik mooi, de mystiek, de slimheid, hun opportunisme, de herkenbaarheid bijna. Ik droom wat door op mijn mobieltje … KRAWWW … KRAWWW … ik ren naar het raam, daar zit hij weer, kijkt me aan, kijkt voor zich, springt naar beneden, huppelt de straat op en gaat naast een handje platgereden hondenbrokjes staan, allemaal kleine stukjes die hij nu makkelijk en duidelijk ook smakelijk begint op te peuzelen, mij af en toe bijna triomfantelijk aankijkend door het raam omhoog. Na de laatste kruimel vliegt hij weer terug naar zijn plek op het hek … KRAWW… KRAWW… zijn kop vooruit, een verwachtingsvolle pauze en dan weer KRAWW, iets harder nog. Ik kan mijn lachen niet inhouden en sta vol verbazing na te genieten van mijn ongeloof. Raam weer open en gooi een flinke hand brokjes zijn kant op over straat, ik zie ze overal heen stuiteren, hij ook, veel beter dan ik, ik kan er drie of vier volgen, hij alle tien of twintig, met gemak.
Het is ook de toon in het boek, de liefdevolle stem van de dieren, de erkenning dat niet alles verklaard hoeft te worden door alwetenden, maar schoonheid ook gewoon kan zijn. De tegenspraak van de mens, aanbiddend, kruipend soms, doorspekt met eigenbelang, de drang naar meer zit verwondering in de weg en heeft religie nodig als excuus voor zijn eigen falen en onbetrouwbaarheid.
De kraai kent nu de situatie volledig, kent het verkeer, de bocht in de weg, mijn positie achter glas, de afstand tot de buren die voor de deur van het kantoor gehaast een sigaret roken, ze gooien gelijktijdig hun peuken achteloos in de goot, het deinende bootje met wapperend blauw dekzeil in de gracht, alles heeft hij gezien, hij weet wat er komt, of niet, nooit zie je een platgereden kraai. Met een krachtige sprong, vleugels alleen ter ondersteuning, zijn witte veren als fashion statement, ploft hij pontificaal op straat en pikt zonder enige aarzeling systematisch alle brokjes op, ik zie hem bij de laatste even worstelen om het in zijn snavel te persen en te houden, de laatste twee klemt hij vast in gesperde bek. In een raar loopje en schuin opgeheven kop en af en toe een klein huppeltje, rent hij naar een plas regenwater iets verder op de stoep en stapt er pardoes middenin. Een voor een nu rakelt hij de brokjes op uit zijn snavel en krop om ze behoedzaam in het water te leggen om er vervolgens nonchalant bij te gaan wachten, af en toe een brokje omdraaien met zijn snavel, goedleggen, oppakken en weer neerleggen, een paar tellen op het hekje bij de gracht zitten, net boven de plas water met de daarin wekende brokjes, altijd overzien. Vijf minuten, tien minuten, af en toe voelt hij even aan een brokje en na een kwartier is het goed, de brokjes zijn nu smakelijke, zachte, geweekte bolletjes geworden. Hij pakt er kalm eentje op, snavel omhoog, ik zie zijn keeltje bewegen en de bek smakken, ze zijn heerlijk. Achter elkaar pakt hij een zacht gezwollen brokje, snavelt er even smakelijk op en laat het voedzame spul vol proteïne, duidelijk genietend naar binnen glijden, af en toe een slokje vers regenwater. Ik kan uren blijven kijken, het duurt maar seconden, minuten hooguit, mijn onverklaarde verwondering mag altijd duren, ik wil geen religie die vertelt dat wij superieur zijn, daardoor macht genieten en als we het even niet begrijpen dat door heilige geschriften te verklaren is, ik geniet met volle teugen van mijn verbazing, noem het onbenul. De kraai doet er zichtbaar extra lang over, nee, niet voor mij, gewoon geen enkele haast, hij heeft alles al gezien, hij weet exact wat er komt, kraaien kunnen de toekomst zien, het staat geschreven; kraaien kunnen waarzeggen.