Roeiman
Het is druk geweest de afgelopen dagen, boten af en aan over de grachten, de meeste varen veel te hard, de meeste met haast, de meeste weten niet eens waarom of waar, ze kijken op hun mobiel en varen elkaar bijna overhoop, dat de hele dag. Als het warmer wordt de drank erbij, de kapitein mag niet drinken, die moet varen, maar hij vaart niet, hij kijkt op zijn mobiel, schreeuwt af en toe iets entertainends naar zijn passagiers. De kapitein is vaak de eigenaar, dus het hoogste woord, de gastheer, de gespreksleider, de kelner, de barman, hij drinkt met mate maar doet slechts mee, met mate, ze lachen, hij kijkt snel op zijn mobiel, vaart nu veel te hard, woonarken stuiteren geïrriteerd op zijn deining, bootjes aan de kade rammen en schuren tegen het beton en steen, hij vaart, neemt stiekem een slokje, dat mag wel, lacht zelfgenoegzaam over de passagiers heen, kijkt op zijn mobiel, stuurt niet, houdt het roer vast, de tegenliggers ook. Even kijkt hij op, een ruk naar stuurboord, toeval, het ging weer goed, geen sjoege geven, nooit, mobiel kijken en doorvaren alsof er niemand anders bestaat, de hele wereld is van hem, in zijn hand, hij lacht, neemt stiekem weer een slokje. Twee zetten een matrozenpet op, leuk, grappig zelfs, voor zichzelf vooral, volwassen mannen gaan varen en drinken en mobiel kijken met een petje op, wit met zwart rand en klep, een gouden anker voorop. Goed gevonden en dolkomisch, de grootste pret, de kapitein krijgt nu de pet, achterstevoren nog wel, bulderen van de lach, de tegenligger draagt ook een pet, zowaar dezelfde, toeval, kan niet anders. Ze groeten elkaar niet, kapiteins zonder zeemanieren, ze kijken op hun mobiel en hebben altijd haast, tenminste, denk ik, ze varen nog steeds veel te hard. Het flesje bier mag overboord, lachen, is óók erg leuk, de pet gaat er achteraan, ik hoor ze schateren, de kapitein lacht dik tevreden mee, zo ziet hij het graag. Een ander buldert het hoogste woord, geen idee wat hij bralt, het is erg lachwekkend, overduidelijk, de lol kan niet op, ze varen de bocht om, maar eenzelfde entourage vaart alweer in hun plaats terug. Nee geen petje, het blijft niet leuk, deze lacht ook niet, deze kijkt serieus, passagiers zitten stil, ze kijken allemaal serieus, dikke buitenboordmotoren, ze varen veel te hard maar het is toch veel te saai, iedereen kijkt naar zijn mobiel. Loeivervelend dat varen, krat bier staat naast de kapitein, die drinkt niet, denk ik, hij niet. Tot laat gaat het door, diesel, benzine en alcohol, niet elektrisch zoals Amsterdam zou regelen dit jaar, geen oplaadpunten ofzo, geen infrastructuur, geen handhaving, geen zin, de politiek in een notendop, en zo klein als een notendop. Vroeger heb ik nog wel eens een zeilbootje gemaakt van een walnotendop. Muziek erbij, zware bas, altijd leuk, wel een beetje naar je mobiel blijven kijken, met je hoofd meebewegen op de beat, of om en nabij de beat, een slok, de kapitein drinkt niet, die is DJ. Onder de brug, slaapplaats voor duiven, nu broedseizoen, duivenkinderen onder de brug beschut. Daar kan de bass voluit, fuck the pigeons, party now, nog harder, handjes omhoog, de kapitein schreeuwt er bovenuit, the man of the moment, duiven vliegen weg, laten hun kroost in de kou en het donker achter, de moeilijkste beslissing ooit, in de herrie, in the beat, fuck the pigeons, enorme lol, klinkt lekker onder zo’n brug, vette bassen, mensen slapen al zeg je? Wat zeg je? Ik versta je niet.
De tunnelbeat wordt door nog enkele andere kapiteins later in de nacht herhaald, allemaal leuk, vetter dan vet, daarna weer haast, tenminste, ze varen veel te hard. De kapitein heeft niet gedronken, zegt hij, een beetje maar, z’n mobiel is leeg, gotfer, dan maar naar huis, zo is er ook geen zak meer aan, gas en bas en alcohol.
Het is ochtend, windstil, de stad is wakker, de straten vol met verkeer, het water nu leeg en kalm, het weekeinde is voorbij, de kapiteins waren helemaal geen kapitein maar iets op kantoor, het petje de grap van hun leven, weet je nog, die keer met dat petje, iets nietszeggend ongetwijfeld, of erger, onder, nemer, ach wat doet het ertoe, geen kapitein. Nu heeft hij een kater van het niet drinken. De zon wordt gefilterd door een laagje zachte wolken, de gracht is nu van de eenden met hun pasgeboren dons, een zwaan, die heb ik lang niet gezien, ze zweeft door het water, ze heeft nog een beetje grijs tussen haar wit, alle ruimte, alle rust. Een roeiboot, zelfgemaakt? Ik denk het, maar wel stijlvol, rank, hout, de spanten mooi zichtbaar, authentiek, ambachtelijk zo lijkt het, een man met een baard en katoenen blouse, wijnrood, wijde linnen broek, blote voeten, rustig trekt hij aan de riemen, de boot glijdt zonder golven, het water wijkt vanzelf, hij heeft geen mobiel, hij moet roeien, hij wil roeien, de zwaan zwemt naast hem, en glijdt langszij, een paar centimeter nog tussen elkaar, de zwaan kijkt maar voelt geen dreiging, de boot kalmeert, de man glimlacht naar de zwaan, even zweven ze synchroon, de zwaan wint het onthaasten en laat de boot voor en pauzeert, pas dan pakt de man de riemen weer op en roeit met trage slagen geruisloos verder, achterin ligt zijn hond, zo een met een dikke vacht, de kleuren van de zwaan, grijs met wit, z’n kop hangt over de rand, hij kijkt achteruit, verlegt zijn kop een beetje voor de zwaan, meer niet, ik denk dat hij blijft kijken, maar kan net zo goed weer slapen zijn, dommelen, de man roeit rustig door, de boot beroert het water nauwelijks, hij gaat niet te snel, hij drinkt niet, nooit gedaan, hij is licht en zweeft, wil ik ook, roeiman zijn.