Teer

Deel

Het heetst van de dag net na de middag, de zon staat hoog en verpulvert ongehinderd alles binnen haar zichtsveld. Vogels happen naar koelte, een hagedis, ik ben geen kenner maar een flinke, houdt abrupt stil, ik zie de ademhaling zijn leren keelhuid bewegen, hoezo koudbloedig. De wespen schuilen in de schaduw van het terras, tientallen zitten stil in groepjes naast elkaar maar nooit tegen elkaar, het is stil in de lucht, bijna, een prachtig signaalrode libelle scheert onvermoeibaar over het heldere water van het zwembad alsof het zijn bezit is, is het inmiddels ook, hij heeft er hard voor verjaagd. Dan springt een vreemd lange vorm in mijn aandacht, groter dan een wesp, langer zeker, ranker dan een gekko, slank, ik kom kijken. Een insect met ijle lange vleugels die ze behoedzaam langs haar tenger gerekte lijf houdt, elegante pootjes voor in haar rompje, een kop met een priemend paar ogen, ik associeer onbewust met elven, nimfen, kobolden, glij die wereld in en zie haar majestueus geruisloos zweven door bosnevel, poeltjes, mos, teder en fragiel maar ook sierlijk bestendig en behendig, een Juffer, een rank kwetsbare libelle, grauw blauw van kleur, vloeidunne vleugels langer dan haar lange lijfje, de adertjes houden het model in dit dunste vlies mogelijk. De naam Juffer komt in me op uit een reflex, mijn nieuwsgierigheid duwt me toch weer mijn mobiel in, ik wil juist minderen, meer zien, horen, proeven en voelen, het lukt matig. Het zijn jagers zoals hun zusters de libellen, miljoenen jaren oud en tot heden evolutionair superieur aan bijna alles op aarde, laat staan de new kid on de block; ik. Veruit het grootste deel van hun leven is de Juffer een rovende larve onder water, ze heeft het zo honderden miljoenen jaren overleefd. Haar kortstondige apotheose volgt aan het einde van haar larve cycli in tedere elegantie het water ontstijgend en vrij als nooit in de lucht, onbetwist snel, onnavolgbaar wendbaar en tegelijk zo kwetsbaar, nog steeds verbluffend effectief. Het water is nu haar vijand als ook haar vriend, de oppervlaktespanning van het voormalig thuis, zal bij de geringste aanraking nu, haar vlucht ruw breken, haar vleugels kneuzen en vouwen of erger, scheuren, haar ademoppervlak in haar lijf verstoppen, definitief, ze leeft haar korte leven in deze eindeloze ruimte vederlicht maar balancerend rond de dood van het water, zolang de wereld weet.

De dag vordert als normaal, ik ben de Juffer inmiddels vergeten, donker valt, de koelte wint, krekels alweer, bedtijd.

Nog tandenpoetsen en de dag dom aan me voorbij laten glijden. Met de borstel in mijn mond tandpasta kwijlend boven de wasbak zet ik zonder te kijken de kraan zachtjes aan, klaar om te spoelen, ik kijk nog even in de spiegel, stomme kop, kwijlbek, dan snel uitspugen voordat het langs mijn kin druipt.

Ik schrik halverwege de beweging omlaag, al begonnen met uitspugen en klik per ongeluk de elektrische tandenborstel weer aan, het spat alle kanten op, de spiegel vol, een eng beest ligt te kronkelen in de wasbak, wurmend en wriemelend door mijn tandpastaspeeksel, best groot, een beetje griezelig zelfs, veel kleiner dan mijn pink. Ik zet mijn leesbril op, zonder ben ik kippig op deze afstand, en pas nu zie ik haar lange dunne vleugels, teer als vloeipapier verkleefd in het waterige slijm, haar lijf spartelt en schokt en buigt in heftige stuipen, haar kopje onder het blauwwit van de tandpasta, haar grote ogen die alles zagen nu bedekt onder gespannen schijnbaar bijtend vocht. Haar gevecht met de dood slaat haar vleugel om zichzelf en verkleven rond haar lichaam, verstikken. Ik wil helpen en redden en alles terugdraaien maar hoe, verdomme hoe dan? Ik zoek naar iets om haar houvast uit het slijm te geven maar haar lijfje schokt en schokt. Het plastic hoesje van een tandenrager probeer ik onder haar te houden, zo voorzichtig mogelijk, natuurlijk doe ik voorzichtig, haar hele lichaam is slap, week en buigzaam als een nat stuk krant, ik weet het niet, ik weet het niet, ik kijk om me heen naar iets, mijn vingers zijn veel te dik, knijpen te ruw …moet ik haar een snelle dood in helpen of nog iets proberen, maar wat…ik twijfel een walgelijk moment om haar kopje met die grote ogen en ooit feilloze blik, krakend te pletten met het hardplastic hoesje op het witte porselein, ik durf niet of ik wil niet, de grens is troebel en beide zijn een slap excuus.

De spastischbenauwde strijd in mijn slijm eindigt abrupt en toch eerder dan ik dacht, misschien later dan ik eerst hoopte, ik slaap slecht.

Aanbevelen? Signal WhatsApp