Water
De druivenranken staan er kaal, verlaten bij, bladeren zijn afgevallen of dor verkleurd. Het kleine gammele bestelautootje staat bij de casita, buurman zit voor de lichtblauw gekalkte houten deur en eet een broodje uit een meegebrachte trommel. Altijd een strohoed op, de zon is ook in de winter verraderlijk. Zijn dikke brillenglazen vergroten zijn vriendelijke ogen die lachen in zijn ronde gezicht. Z’n kleding is simpel, wat armoedig, zelfs voor een boer, een geruite shirt en een te wijde oude spijkerbroek met gaten, die door een versleten leren riem net onder zijn dikkige buik oncomfortabel ingesnoerd wordt. Net wanneer hij een hap wil nemen, ziet hij mij, legt zijn broodje neer, pakt spontaan een andere uit de trommel waarvan hij blijkbaar nog geen hap heeft genomen en hij biedt hem mij met gestrekte arm aan, een aanmoedigende glimlach, ik bedank hem met vriendelijke gebaren, ik heb net gegeten, mijn Spaans is te gebrekkig. Schouderophalend legt hij het broodje terug in zijn trommel en neemt een hap van de ander waar hij al aan begonnen was. Een slok water uit een plastic fles om te spoelen. Hij is er nu iedere dag. Het land is in rust en dus moet er gewerkt worden voor de lente, wanneer alles weer losbarst en je nergens meer tijd voor hebt.
Met oneindig geduld en precisie, nagelschaartjesprecisie, snoeit hij de druiventakjes, inspecteert iedere knop en bindt vakkundig hangende takken tot de gewenste vorm en hoogte, dag na dag. Soms zie ik hem vroeg in de ochtend, dan weer laat in de avond, altijd is hij er en met bijna tedere aandacht werkt hij aan zijn druiven, nooit is het goed genoeg, nooit is het af, de tijd dringt, de lente komt eraan, de knoppen lopen nu al uit, het voelt nog winter, maar dat is schijn: opbinden, onkruid wieden, altijd onkruid wieden, takje snoeien, blaadje verwijderen, opbinden, rechtleggen, onkruid wieden, snoeien, goed kijken, opbinden, rank na rank, rij na rij, vlak na vlak. Zijn landje heeft drie terrassen en is maar een paar hectaren groot, ik gok drie, zeker niet meer dan vijf.
Het is koud vandaag, hij heeft een oude jas aan, hoed op, hij duwt zijn bril goed met de rug van zijn hand, kijkt wat geknepen wie ik ben en zwaait dan vriendelijk van halverwege tussen de rijen met druiven, ik zwaai terug en schreeuw Buenas días, hij lacht terug, Buenas…
Ik spreek Jesus later die dag, een Spaanse pensionado die altijd in de tuin van zijn weekeindhuisje bezig is. We hebben het met handen en voeten over het weer en het klimaat, immers veel gaat er dood in zijn tuin en het is niet meer zoals vroeger. Dat heb je meer met pensionado’s, dat alles vroeger beter was, maar hier heeft hij een punt. Wij voelen het ook; in de tijd dat we hier komen is het heter en droger geworden, maar ook extremer nat, extremer droog, doorbovenop ook extremere wind, een slopend klimaat, ook voor de planten die hier van origine thuis horen en goed tegen droogte en hitte kunnen, is het nu vaak net teveel.
Het water is duur, zegt hij ineens. Het is mij nooit opgevallen; we gebruiken riegowater, ofwel gewoon ongezuiverd grondwater, kost geen drol, wordt bewaard in grote bassins en beheerd door de lokale Water Coöperatie. Maar Jesus noemt het een groot probleem, het wordt te duur, die schoften met geld maken het te duur.
Het is een drukte van belang in de wijngaard van de buurman met de dikke brillenglazen, een wit oud bestelbusje heeft een lading vrouwen afgeleverd die in de brandende zon papieren zakjes om de beginnende druiventrossen knopen, een crème-wit zakje, een kruising van papier en plastic denk ik altijd, en met een blauw touwtje bovenaan dichtgestrikt, is het raffia? Ik ken het nog van vroeger uit mijn jeugd, de vezel van de raffiapalm had mijn moeder, kleuterjuf geweest, me ooit uitgelegd en nooit vergeten, nu heet het nog wel raffia maar is het geëxtrudeerd polypropyleen, alles in de Spaanse landbouw is kunststof, duurder voor toekomstige generaties, maar voor nu goedkoper, en nú telt.
De hitte in de geselende zon van de Costa Blanca in moordend, de vrouwen hebben hun armen bedekt met lange mouwen t-shirts, lange rokken over leggings, strohoeden over kleurige hoofddoeken die soms ook voor hun gezicht gedragen worden, alles om maar niet van het zonnetje te hoeven genieten, zoals wij achterlijke Nederlanders de huidkanker aanbidden. Het zijn Colombiaanse vrouwen, autochtone Spaanse doen dit werk al decennia niet meer. Colombianen spreken de taal, alhoewel met dialect, kennen de cultuur, alhoewel verwaterd en assimileren prima in het Spaanse leven, tenminste, dat blijkt een voorwaarde te zijn voor goede arbeidsmigratie, goede assimileerbaarheid, ik kan me er iets bij voorstellen, taalbeheersing is natuurlijk altijd mooi meegenomen en een tikkie cultuurhistorie ook.
Gebogen werken ze de hele ochtend, tot een uur of één, siësta. Ze eten dan in stilte iets, zittend op een gestapeld stenen muurtje, sommigen zitten op de grond en leunen er uitgeblust tegenaan, de hoed over de ogen getrokken, grote plastic flessen water worden gulzig leeggeklokt, nieuwe worden uit het busje gehaald en uitgedeeld, zonder water ga je dood, siësta is geen luiheid, het is overleven. Na het blikje tonijn en nog wat slokken water, kruipen ze een-voor-een onder de druiventakken, de schaduw in, hun plastic tasje met extra kleding en wat eten als kussen, hun hoed nu volledig over hun gezicht, wegdommelen, herstellen van de hitteschade van vanmorgen, wachten tot de ergste felheid van de hitte weer uit de dag trekt.
Uva de Mesa embolsada del Vinalopó, de techniek waarbij de (tafel)druiven zodra ze een trosje vormen snel een beschermend papieren jasje omkrijgen, embolsado, hierdoor blijven de druiven langer mooi, langer heel, de schil zachter en belangrijker, ze kunnen langer blijven hangen aan de takken, het zijn de in Spanje wereldberoemde Uva de Nocheviecha, Oudejaarsdruiven. Nocheviecha, exact om middernacht, krijgt iedereen twaalf druiven, één per klokslag zoals de traditie voorschrijft, de druiven dus van de buurman met de dikke brillenglazen. Grote, zoete, zachte, sappige druiven zoals nergens anders, mierzoet en vers van de ranken tot vlak voor oudjaar, op het laatste moment geoogst, alleen dan zijn ze goed genoeg voor de met druiven verwende Spanjaard uit het oudste wijngebied van West-Europa, alleen dan brengen ze het geluk vol zoetheid naar het nieuwe jaar. Het procédé van “embolsado” is officieel beschermd in Europa, DOP/PDO zelfs, alleen de regio Novelda en alleen deze zachtgele, muskaatachtige druiven en hun bijzondere papieren zakje mogen Uva de Mesa Embolsada del Vinalopó heten, alleen die zijn goed genoeg voor het nieuwe jaar.
De vrouwen komen traag weer overeind, praten in een helder dialect Spaans met elkaar, minder gehaast dan het Valenciaans wat ik normaal moet ontcijferen. Ze staan traag op, de tegenzin is maar deels zichtbaar, het andere deel de noodzaak, ze trekken hun kleding recht, hoofddoek om en zonnehoed op, rekken zich wat uit, nemen nog wat water. Eentje loopt naar het bestelbusje en haalt er een nieuwe voorraad papieren zakjes uit en een grote bos touwtjes om ze uit te delen onder de andere vrouwen, bij eentje trekt ze snel het trosje touwtjes weg wanneer die het wil aanpakken, ze vallen elkaar gierend van de lach in de armen. De zakjes zijn eigenlijk kokertjes van papier die je van onderaf over de tros schuift en dan bovenin met het touwtje losjes maar stevig dichtknoopt, alle ruimte om tot december door te groeien, te rijpen en suiker aan te maken, perfect beschermd zonder te verstikken.
De een werkt geknield in de rotsgrond vol keien, de andere krom gebogen staand voor de hogere druiven, verderop beginnen twee vrouwen te zingen, de rest werkt luisterend door, een kalm lied zweeft in de wind mijn kant op, overstoorbaar in de zinderende lucht, een hete bries laat het zweet onmiddellijk verdampen tot functieloos zout, ze stopt even met zingen, de ander gaat door, ze kijkt rustig om zich heen, natuurlijk ziet ze mij, neemt een slok, mij geen blik waardig, hoed goed, trots door, ze zingen de tijd en de hitte weg
Het busje is weg, oneindige rijen met zakjes, vreemd bungelend onder de vers groene bladeren. Nu zo goed als leeg, mini trosjes met harde groene kraaltjes nog, de maandenlange zomerzon en het rijk vloeiende riego water zullen ze snel doen zwellen tot de meest begeerlijke druiven van het land, water en warmte, water vooral, zonder water geen leven.
Ik zie de buurman regelmatig tussen de zakjes schuifelen, er wat recht hangen, wat onkruid wieden, het zweet van onder zijn strohoed deppen met een wit katoenen lap. Zijn altijd aardige, ronde gezicht inmiddels zwartbruin getaand, diepe plooien door de zon in zijn nek gegroefd, hij zwaait; Buenas!
De zomer voelt heter dan anders, ik kan me geen dag regen herinneren, in augustus geeft de thermometer een dag zevenenveertig graden aan, het ademen schuurt pijnlijk, m’n witte huid tintelt vreemd, vogels zitten met wijdgesperde snavels in de schaduw te hijgen, alles is stil behalve de stofdroge wind door de palmbladeren met dorre punten.
Een kabaal van jewelste, mannen deze keer, drie stoffig witte kleine trucks vol blauwe kratjes, de jonge mannen rennen af en aan, lege kratten heen, volle terug, netjes de papieren zakken losgeknipt, de vulling van vruchtgoud naast elkaar gedrapeerd, een stuk of tien per krat, ik krijg de kans niet om goed te tellen. Ze zingen en schreeuwen, het is fris, allen een donkere huid, Afrikaans, zeker geen Spanjaarden of Colombianen. Ze zijn vrolijk, werken keihard en luidruchtig, geen siësta, ze gaan door tot het laatste zakje van de laatste rank is afgeknipt en op een blauw kratje is afgevoerd, het is winter.
Hij zit voor zijn casita, het gammele bestelautootje staat op z’n vaste plek, de lente komt er alweer aan. Z’n hoed op, zoals altijd, z’n dikke brillenglazen wat afgezakt op zijn neus. Hij kijkt op, ik zwaai en roep enthousiast Buenas!
Hij kijkt zonder emotie naar de grond tussen zijn voeten, voorovergebogen zit hij op een steen, hij duwt zijn bril goed met de rug van zijn hand, staat op, staat stil, schopt een steentje weg, handen in zijn kapotte spijkerbroek. Hij kijkt over de kale ranken op het land van zijn vader en diens vader en buigt zijn hoofd, even nog staat hij daar. Dan stapt hij in het autootje, ik zie hem zitten zonder houding, dan start hij het barrel. Zoals zijn leven lang, keert hij met routinematige nauwkeurigheid naast de oude spoelplaats voor de casita, het heen en weer steken past tot op de centimeter. Zachtjes passeert hij mij op het stoffige pad, ik zwaai en roep Buenas!, maar zonder zijn reactie, ik zwaai nog een keer in zijn spiegel, geen idee of hij terugzwaaide, ik heb de buurman met de dikke brillenglazen nooit meer gezien.