Zonderling

Deel

“Zwervers zijn net zwerfafval, of zoiets, toch?”. Hij zegt het uit het niets bij het passeren. Een vreemde gebogen man, kort, gedrongen, de dikke korte nek voorover, bijna schuchter naar de grond kijken tijdens zijn zware, brede pas, hij loopt me voorbij maar houdt dan stil, draait zijn bovenlichaam in mijn richting, wacht een moment en buigt vervolgens weer naar de grond, hij wacht op mijn reactie. Ik weet het niet, ik zie de man vaker, een zonderling, een ouderwets woord, maar het past hem, op een of andere manier ook medelijden, zielig en zonderling, waarom zielig erbij? Ik ken hem niet, ik herken hem alleen maar. Hij loopt hier vaker, maar alleen wanneer het donker is, geen moment bepaald door tijd maar door de hoeveelheid donkerte, het donker als dekking, zonderling inderdaad.

Hij kijkt weer op uit zijn gebogenheid; “Dat zei je toch, laatst?” Een bijzonder Amsterdams accent, net en plat tegelijk, zijn blik blijft even hangen maar raakt mij niet, hij kijkt wel, maar kijkt me niet aan, hij buigt weer weg en wacht. Ik heb geen idee, ik ken je niet, ik heb je wel gezien, maar nooit gesproken wil ik uitleggen, maar ik stamel niets, ik weet geen antwoord, ik ben geen prater en zeker niet tegen vreemden en al helemaal niet zomaar, ik kan dat slecht, zomaar praten, is hij wel normaal? Hij kijkt naar zijn eigen voet die hij als afleiding tijdens het wachten een beetje naar voren houdt, zijn hoofd schuin op de dikke nek, nog steeds gebogen in de kromming van zijn houding, zijn figuur. Ik moet wat zeggen, sociale conventies enzo, de vraag is me ook helemaal niet duidelijk, ik zou dat nooit gezegd hebben, denk ik, ik dacht wel dat hij een zwerver was, wanneer ik hem zag lopen met zijn gezicht naar de grond, scannend, met iedere pas zwaar van links naar recht bewegend, zoekend naar iets maar dan op een onopvallende manier, zoeken onder de dekking van onopvallendheid, uit schaamte, schuw nog eerder. Hij draait wat met zijn voet, hoofd nog steeds omlaag, met een vreemde, verwrongen glimlach kijkt hij weer schuin in mij richting maar zijn blik kruist nooit de mijne, hij blijft ontwijken vanuit zijn gedrongenheid, ongemak. Voelt hij zich aangesproken door iets waarvan hij denkt dat ik dat heb gezegd? Komt hij verhaal halen omdat het ongepast is hem met zwerfafval te vergelijken? Of juist niet, is hij gewoon niet helemaal lekker en is hij het roerend met me eens, een medestander in de strijd tegen minder bedeelden die alles van hem afpakken? Net als die man van verderop in de straat die vorige week schreeuwend tegen een dakloze tekeer ging dat hij doodziek van dat zwerftuig werd omdat ze alles maar overhoop halen in godverdomme zíj́n straat, overal een kolerebende van maken, uit vuilnisbakken vreten, smeerlappen die ze zijn, opdonderen moeten ze, allemaal, dat vullis. Was hij er ook zo een, deze gebogen man in het donker? Die vreemde grimas weer, hij doet zijn handen op zijn rug, als een schaatser, verplaatst als een beer zijn gewicht traag van ene been op het andere. Het schijnsel van de lantaarn strijkt sinister over zijn afgewende gezicht en tekent zijn glimlach in een valse grijns, hij staat stil, handen nog altijd op de rug, met de achterkant van de een tikt hij ongeduldig in de palm van de ander die hem losjes omklemt bij iedere tik, zijn gezicht vertrekt naar kil, nors en we staan daar, schuin naar elkaar maar afgewend, het moment duurt uren, ik wil eigenlijk niets zeggen, of toch wel, er bekruipt mij meer ongemak, nog net geen angst, maar wel de behoefte hem verder te ontwijken, het heeft iets weg van vluchten.

Nou!, klinkt het ineens, hard snauwend Amsterdams, provocerend met verongelijkt venijn zoals alleen Amsterdammers dat in hun aard hebben, hij kijkt mij nu strak aan met geknepen ogen in de brede gebogen kop, gezicht nors, de korte dikke nek gespannen gedraaid, schuin vooruit, naar mij gekanteld, het stramme breed gedrongen bovenlijf draait stug mee. Ik voel spanning en dreiging, ik voel me verantwoordelijk voor wat hij meent dat ik gezegd zou hebben, ontkennen kan niet meer, dat moment ligt nu ver achter ons, ik kan alleen nog maar vooruit, niet meer terug, ik heb het nu gezegd, tegenspreken is totaal ongeloofwaardig, toegeven net zo, gevangen in zijn perceptie van de feiten, zijn achterlijke beeld van mij, zijn waan, hoe kom ik hier uit, ik wil hier weg, weg bij deze enge kerel, ach nee, dat is niet zo, wat is er met hem, ik oordeel ook zo hard, weet ik veel hoe hij zich voelt, wat er met hem is, er is wel iets met hem, dat weet ik wel.

Hij kijkt me nog steeds aan, zijn blik onveranderd kil, zijn lippen in een gestreepte grimas die de spanning van zijn ongeduld weerspiegelt en al lang geen grijns meer is.

Nou? sneert hij er nogmaals uit, zijn mond beweegt nauwelijks, de klank is scherp en vals, de toon is krijsend. Ik kijk hem aan, onbegrip, medelijden, afschuw, wat een emoties door elkaar, ik, ik, wat…

Ownee, ik sien het al, je bent het helemaal niet, je bent een ander, ik dacht dat je de buurmans was, die goser van verderop in de straat, komt door je kale kop ouwe, ik ken jou helemaal niet, vroeger was ik taxichauffeur, teveel mensen gezien denk ik, nou dag he.

Aanbevelen? Signal WhatsApp